Verrekening door de fiscus
Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/7.5:7.5 Artikel 24 Iw 1990 leidt op onderdelen tot een onnodige verslechtering van de positie van de fiscus
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/7.5
7.5 Artikel 24 Iw 1990 leidt op onderdelen tot een onnodige verslechtering van de positie van de fiscus
Documentgegevens:
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS609621:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De verrekeningpositie van de fiscus wordt door artikel 24 Iw 1990 op onnodige wijze verslechterd ten opzichte van de civielrechtelijke verrekeningsmogelijkheden. Dit is vooral het gevolg van een tweetal omstandigheden.
In de eerste plaats heeft de Iw-wetgever gekozen voor een gesloten systeem van verrekening in artikel 24 Iw 1990, met uitsluiting van de BWverrekeningsregels. Dit heeft tot gevolg dat steeds moet worden onderzocht of een vordering op of van de fiscus onder de omschrijving van artikel 24 lid 1 Iw 1990 valt. Is dat niet het geval, bijvoorbeeld omdat sprake is van vorderingen of schulden die los staan van de belastingheffing als zodanig (en primair civielrechtelijk van aard zijn), dan is verrekening door de fiscus in het geheel niet toegestaan, tenzij die vorderingen en schulden uitsluitend civielrechtelijk van aard zijn.1 Volgens het civielrechtelijke systeem zou verrekening in dergelijke situaties gewoon mogelijk zijn. Het valt moeilijk te bevatten waarom de wetgever binnen het open systeem van de 1w 1990 nu juist ten aanzien van de verrekening voor een gesloten systeem heeft gekozen. Daarmee heeft de wetgever grenzen gesteld aan de verrekeningspositie van de fiscus, die bij verrekening volgens de BW-regels niet zouden bestaan.
De tweede onnodige verslechtering van de verrekeningspositie van de ontvanger is het gevolg van de werking van het vierde lid van artikel 24 Iw 1990. Daarin wordt de overdracht en verpanding van een vordering op de fiscus gekoppeld aan instemming door de fiscus. Onder omstandigheden is de ontvanger verplicht tot instemming over te gaan.2 Deze instemmingsregeling leidt niet alleen tot extra formaliteiten, maar levert in veel gevallen een verslechtering op van de positie van de fiscus. Nadat de instemming, al dan niet 'gestuurd' door de belastingplichtige doordat die op het juiste moment om instemming heeft gevraagd,3 door de ontvanger is verleend, heeft de fiscus zijn verrekeningsmogelijkheden verloren, behoudens een beperkte uitzondering conform artikel 24 lid 5, onderdeel c, 1w 1990. Bij de civielrechtelijke verrekening zou de fiscus echter, op de voet van artikel 6:130 BW gewoon verrekeningsbevoegd blijven.4 Ook hier is het onduidelijk waarom de overheid zichzelf tekort doet.