Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/3.4.2.3
3.4.2.3 Publicatieverbod
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657541:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Resp. art. 6:167 BW en art. 3:296 BW.
Zie bijv.: Hof Den Haag 21 november 2002, ECLI:NL:GHSHE:2002:AF1696 (Regionale Economische Ontwikkeling Midden-Limburg BV/Uitgeversmaatschappij de Limburger); Rb. Den Haag 8 november 2016 ECLI:NL:RBDHA:2016:13311 (Natuurlijk beter leven & Aliter Cura/X).
Hof Arnhem-Leeuwarden 31 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8469 (Korterink/Staat).
Voor de volledigheid: deze veroordeling moet worden onderscheiden van de typische op art. 223 Rv gestoelde of daarmee vergelijkbare veroordelingen, aangezien het hier niet draait om een maatregel ter ordening van de procedure zelf, maar een maatregel om het proces van een ander rechtmatig te laten verlopen.
Rb. Arnhem 25 februari 2005, ECLI:NL:RBARN:2005:AS8145, NJF 2005/155.
Rb. Arnhem 25 februari 2005, ECLI:NL:RBARN:2005:AS8145, NJF 2005/155, r.o. 6-7.
Rb. Arnhem 25 februari 2005, ECLI:NL:RBARN:2005:AS8145, NJF 2005/155, onder ‘Beslissing.’
Als iemand op een of andere manier onrechtmatig over een ander gepubliceerd heeft, kan hem een rectificatiebevel en een verbod op herhaling worden opgelegd.1 Vaak stemmen rechtsplicht en verbod volkomen overeen.2 Een goed voorbeeld is de voorgenomen publicatie van een boek over het passageproces. Hendrik-Jan Korterink had enkele getuigenverklaringen uit het passageproces in handen gekregen en wilde die als onderdeel van een boek over dat proces publiceren. Om de eerlijke berechting van verdachten Dino S. en Ali. A. te garanderen, vorderden de Staat en de verdachten een publicatieverbod tot zes maanden na het vonnis. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wees het verbod toe, omdat het meende dat Korterink verplicht was de eerlijke berechting niet te bemoeilijken.3 Dat lijkt volkomen terecht: het is niet onrechtmatig het boek te publiceren, maar wel in een bepaald tijdvak. Het verbod moet en mag zich dan ook niet minder ver en niet verder uitstrekken dan dat tijdvak.4
Ook dit gaat niet altijd goed. Een voorbeeld vormt een uitspraak van de Rechtbank Arnhem van 25 februari 2005.5 Het gedaagde detectivebureau had in verschillende kranten een advertentie geplaatst waarin het een beloning van €10.000,- uitloofde voor degene die kon zeggen waar eiseres, werkzaam bij een niet bij naam genoemd advocatenkantoor, zich op een bepaalde datum en bepaald tijdstip bevond. Het detectivebureau kon (of wilde) geen reden aandragen voor zijn uitlatingen. Omdat van de advertentie ‘de suggestie uitgaat dat [eiseres] in de uitoefening van het beroep van advocaat een belangrijke fout heeft gemaakt’ was de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat gedaagde zich hiervan had moeten onthouden.6 Naast een volkomen terecht rectificatiebevel, sprak de voorzieningenrechter een verbod uit (i) deze uitlatingen te herhalen en (ii) zich “op enigerlei andere wijze negatief of suggestief uit te laten over eiseres.”7 Met dat tweede deel van het verbod wordt het bevel echter veel groter gemaakt dan wat redelijkerwijs de rechtsplicht van het detectivebureau kan zijn; waarom zou het zich niet negatief over de advocaat mogen uitlaten? Sterker nog, misschien bestaat op enig moment juist een morele plicht wel negatieve berichten over de advocaat te delen met het publiek.