Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/6.3.3.4
6.3.3.4 De wettelijke bedenktijd in relatie tot Europees recht
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649622:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Bijdragen van auteurs die op basis van de aankondiging van de wettelijke bedenktijd in het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ schreven over de toelaatbaarheid van de bedenktijd naar Europees recht, laat ik in deze paragraaf buiten beschouwing. Het advies van de RvS is immers van latere datum en het concept-wetsvoorstel was op dat moment nog niet bekend. Voorbeelden van dergelijke bijdragen zijn Oostwouder & Schrooten 2018; Groothuis 2018; Traas 2018; Kemperink 2017.
Zie bijv. HvJ EU 8 september 2010, C-409/06, ECLI:EU:C:2010:503(Winner Wetten) en HvJ EU 14 juni 2012, C-606/10, ECLI:EU:C:2012:348(ANAFE).
In de literatuur is discussie gevoerd over de vraag of de wettelijke bedenktijd al dan niet in strijd is met (het doel van) de Aandeelhoudersrichtlijn, het vrij verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging.1 Het antwoord op deze vraag is van belang voor het agenderingsrecht van kapitaalverschaffers. Als art. 2:114b BW in strijd is met Europees recht moet het buiten toepassing worden gelaten.2
6.3.3.4.a De verhouding tot de Aandeelhoudersrichtlijn6.3.3.4.b Het vrij verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging