Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.4.5.2
II.4.5.2 Relatie tussen het daderschap van rechtspersonen en feitelijk leidinggevers
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460396:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Sikkema 2010, par. 2.2.
Tot deze conclusie kwam De Valk 2009, p. 289 ook; een blik op het milieustrafrecht roept een vergelijkbaar beeld op.
Over toerekenen of aanmerken in de context van het daderschap van de rechtspersoon, zie o.a. Gritter 2007b, par. 2.4.4 en Sikkema 2010, toevallig ook par. 2.4.4.
Hornman 2010, p. 382. Zie bijvoorbeeld Rb. Den Haag 18 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8694 en Rb. Overijssel 22 augustus 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:3019 t.a.v. feit 1 en Hof ’s-Hertogenbosch 16 september 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2869.
Machielse 2011, p. 380-381.
Roef 2001, p. 384. Beide uitspraken gevonden in Hornman 2016a, p. 51-52.
Ik sluit af door te wijzen op een eigenaardigheid met betrekking tot de relatie tussen het daderschap van rechtspersonen en feitelijk leidinggevers. Zoals gezegd wordt voor het daderschap van rechtspersonen mede gekeken naar het handelen van (leidinggevende) natuurlijke personen. De rechtspersoon is immers een juridische fictie, en de feitelijke handelingen worden verricht door natuurlijke personen. Oorspronkelijk werd de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen zelfs gezien als een afgeleide van het daderschap van natuurlijke personen; er moest worden gezocht naar gedragingen van mensen om die vervolgens toe te rekenen aan de rechtspersoon.1 Later werd rechtstreekse toerekening aan de rechtspersoon gangbaarder.2 Thans bestaan de twee benaderingen voor het functionele plegerschap van de rechtspersoon dus naast elkaar; de toerekening is zowel mogelijk op basis van de gedragingen van werknemers, als door rechtstreeks plegerschap waarbij geabstraheerd wordt van individualiseerbare gedragingen en door middel van delictsinterpretatie de rechtspersoon ‘zelf ’ de delictsgedraging verricht.3 Maar voor het vaststellen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van kleine, overzichtelijke rechtspersonen, spelen natuurlijke personen nog altijd een centrale rol.
Het eigenaardige is dat bij het vaststellen van de aansprakelijkheid van een natuurlijk persoon als feitelijk leidinggever, er ook gekeken wordt naar het daderschap van de rechtspersoon, waarbij vervolgens voor het vaststellen van het daderschap van de rechtspersoon acht wordt geslagen op het handelen van de natuurlijke persoon die aansprakelijk wordt gesteld wegens feitelijk leidinggeven, om vervolgens aan te tonen dat diezelfde natuurlijke persoon feitelijk leiding geeft aan een verboden gedraging begaan door de rechtspersoon.4 Machielse spreekt in dit kader van een ‘wederkerige relatie’ tussen het daderschap van de rechtspersoon en feitelijk leidinggever,5 Roef noemt het een ‘cirkelredenering’.6 Hoe je het ook noemt, hopelijk illustreert deze eigenaardigheid hoe omslachtig het is om een leidinggevende via de deelnemingsvorm feitelijk leidinggeven aan te spreken, wanneer deze ook als (functioneel) pleger kan worden aangemerkt. Dat scheelt een heel toerekencircus via de rechtspersoon, en ook hoeft niet te worden voldaan aan de andere eisen die gelden voor de deelnemingsvorm feitelijk leidinggeven.