Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/5.3
5.3 Vertrouwen afgeleid uit bepalingen van overige verdragen
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456970:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In HR 5 oktober 2010, NJ 2011, 169, m.nt. Schalken is deze benadering het meest expliciet te ontwaren: voor de beoordeling van de aan het EVRM te ontlenen rechten, artikel 6 lid 1 EVRM uitgezonderd, vertrouwt de HR op de rechter in de vreemde staat en de verplichting een effectief rechtsmiddel te bieden die op grond van artikel 13 EVRM op elke verdragsstaat rust.
Dat wil zeggen: sinds de inwerkingtreding op 1 november 1998 van het Elfde Protocol bij het EVRM dat het individuele klachtrecht in alle gevallen garandeert, Trb. 1994, 141.
HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, m.nt. Mevis, r.o. 3.21.
Zie EHRM 1 juni 2010 (Gäfgen/Duitsland, zaak 22978/05; NJ 2010, 628, m.nt. Buruma), r.o. 173-188, i.h.b. 178.
HR 5 oktober 2010, NJ 2011, 169, m.nt. Schalken, r.o. 4.4.1.
Van belang was verder dat de rechter in de verzoekende staat vanwege de in het uitleveringsverzoek genoemde stoffen de bewaring had bevolen.
HR 27 maart 2001, NJ 2001, 381; HR 27 maart 2001, NJ 2001, 455. Overlegging van die lijst zou overigens niet noodzakelijk zijn geweest indien het Verdrag inzake Psychotrope stoffen, zoals sommige andere bijzondere verdragen, zelf bepaalde handelingen met betrekking tot bepaalde stoffen als uitleveringsdelicten in de zin van een tussen verdragspartijen reeds bestaand uitleveringsverdrag bestempelt. In dat geval zou de eis van dubbele strafbaarheid en daarmee samenhangende bepalingen, zoals de overlegging van wettelijke bepalingen, zijn vervangen door de aanmerking als uitleveringsdelict door het Verdrag inzake psychotrope stoffen. Dat laatste formuleert die gedachte van het aanmerken van bepaalde delicten als uitleveringsdelicten in art. 22, tweede lid, aanhef en onder b. echter slechts als inspanningsverbintenis, zodat die weg is afgesloten.
Andere verdragen dan het toepasselijke rechtshulpverdrag kunnen ook een zeker vertrouwen opleveren tussen staten die bij die verdragen partij zijn. Uiteraard staan verdragen die mensenrechtelijke waarborgen bieden daarbij op de voorgrond.
Naast deze categorie van mensenrechtelijke verdragen kan gekeken worden naar andere verdragen die niet zonder meer beogen de mensenrechten te garanderen of bepaalde vormen van rechtshulp regelen, maar toch invloed hebben op de rechtshulpprocedure. De voorbeelden hiervan in de praktijk zijn niet talrijk.
Mensenrechtenverdragen
De belangrijkste voorbeelden van op het bestaan van een verdrag gebaseerd vertrouwen betreffen het vertrouwen dat voortkomt uit de gebondenheid van een bepaalde staat of een bepaalde groep van staten aan verdragen van mensenrechtelijke aard. In hoofdstuk 11 zal de werking van mensenrechten en mensenrechtenverdragen bij interstatelijke strafrechtelijke samenwerking uitgebreider worden belicht, op deze plaats worden slechts de hoofdlijnen geschetst.
Het vertrouwen dat zijn grondslag vindt in een mensenrechtenverdrag kan nog aan kracht winnen doordat een staat niet alleen gebonden is aan die volken- of mensenrechtelijke normen, maar zich daarenboven aan de jurisdictie van een toezichthoudend orgaan heeft onderworpen. Het duidelijkste voorbeeld daarvan in de Europese context is uiteraard de gelding van het EVRM en de jurisdictie van het EHRM.1 De vraag is echter of daarmee is gegarandeerd dat de normen van een dergelijk internationaal instrument worden nageleefd. Het aantal veroordelingen uitgesproken door het EHRM in de loop der jaren, waarbij geen verdragsstaat gespaard is gebleven, duidt er in elk geval op dat zulks niet in absolute zin kan worden gezegd. Artikel 13 EVRM schrijft bij schending wel voor dat een individu het recht heeft een effectief rechtsmiddel daartegen aan te wenden. Ook dat recht kan echter geschonden worden. In dat geval behoort een klacht bij het EHRM thans2 altijd tot de mogelijkheden. De vraag is echter of dat in alle gevallen voldoende is en of de ene staat zich bij strafrechtelijke samenwerking in alle gevallen zal mogen beroepen op de gebondenheid van de andere staat aan het EVRM en het klachtrecht.
In elk geval zal daarbij onderscheid moeten worden gemaakt tussen voltooide en toekomstige schendingen. Bepaalde toekomstige schendingen moeten in elk geval voorkomen worden. Bij voltooide schendingen is de vraag echter anders. Het EHRM vereist niet dat elke voltooide schending leidt tot het stuklopen van de procedure tegen de verdachte wiens rechten zijn geschonden. In een dergelijk geval is verdedigbaar dat het redres van de schending aan de rechter in de vreemde staat moet worden overgelaten, aangezien hij daartoe beter in staat is. Duidelijk is dit bij uitlevering. In plaats van weigering van de uitlevering, die in beginsel de facto tot straffeloosheid leidt, kan de strafrechter in de vreemde staat een mogelijke schending redresseren door strafvermindering toe te passen. Waarom zou de Nederlandse rechter uitlevering wegens bijvoorbeeld schending van de redelijke termijn weigeren, nu eenzelfde schending in een volledig Nederlandse context op grond van de huidige lijn in de jurisprudentie van de Hoge Raad nimmer tot niet-ontvankelijkheid kan leiden?3 Interessant in dit verband is dat het EHRM zelfs ruimte ziet voor een geslaagde strafvervolging tegen een verdachte die in verband met de zaak waarvoor hij wordt vervolgd in strijd met artikel 3 EVRM is onderworpen aan een vernederende en onmenselijke behandeling.4 Moet dan niet, zelfs bij een dergelijke ernstige schending, het redres van de schending worden overgelaten aan de strafrechter in de andere staat? Dezelfde vraag kan worden gesteld tegen de achtergrond van de reeds enkele malen besproken lijn van de Hoge Raad dat bij opsporingshandelingen onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de vreemde staat
‘de taak van de Nederlandse strafrechter ertoe beperkt [is] te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM’
en in het bijzonder dat, op grond van
‘[h]et vertrouwen dat de tot het EVRM toegetreden staat de bepalingen van dat verdrag eerbiedigt en dat de verdachte in geval van schending van enig ander recht dan zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dat hem in dat verdrag is toegekend, het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van die staat’
niet wordt getoetst of de opsporingshandelingen aan artikel 8 EVRM voldeden.5 De Hoge Raad formuleert hier op het EVRM gegrond vertrouwen in de naleving van de uit dat verdrag voortvloeiende verplichtingen.
Andere verdragen
Naast mensenrechtenverdragen spelen ook andere verdragen een enkele keer een rol. In de jurisprudentie is de beoordeling van de strafbaarheid van gedragingen met betrekking tot bepaalde verdovende middelen als voorbeeld te vinden. Soms komt het voor dat de strafbepalingen die bepaald gedrag strafbaar stellen wél, maar de lijst met de opsomming van de verboden middelen zelf níet wordt meegestuurd. De Hoge Raad wil daar wel genoegen mee nemen, ook al verplicht het uitleveringsverdrag wel tot die overlegging, onder meer6 met een verwijzing naar de gelding van algemene narcoticaverdragen die verplichten tot het strafbaar stellen van gedragingen met betrekking tot de stof in het geding.7 Dit voorbeeld laat zien dat op een zeer specifiek punt een ander verdrag soms een juridisch ‘gat’ kan dichten. Uiteraard is dat in een dergelijk geval zeer relevant en wordt de zaak, hier: de verzochte uitlevering, daarmee ‘gered’. Veel voorbeelden van een dergelijke werking zijn echter niet te vinden en voor het vervolg van dit onderzoek is dit punt praktisch niet van groot belang.