Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.10.3.1:7.10.3.1 Punitive damages en het HvJ EG
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.10.3.1
7.10.3.1 Punitive damages en het HvJ EG
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS579969:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het HvJ EG heeft in de zaak Manfredi een antwoord gegeven op de prejudiciële vragen van de Italiaanse Giudice di Pace (enigszins te vergelijken met de sector kanton van de rechtbank) te Bitonto. Een van de vragen die de Giudice di Pace stelde was de vraag of artikel 81 EG aldus moet worden uitgelegd dat het de nationale rechter verplicht punitieve schadevergoeding toe te kennen, opdat het bedrag van de vergoeding hoger is dan het door de marktdeelnemer die deze bepaling heeft geschonden verkregen voordeel en aldus de totstandkoming van door dit artikel verboden mededingingsregelingen of onderling afgestemde feitelijke gedragingen ontmoedigt.
Het HvJ EG overweegt (r.o. 92-94):
'Wat de toekenning van schadevergoeding betreft en de eventuele mogelijkheid om punitieve schadevergoeding toe te kennen, dient bij gebreke van communautaire bepalingen ter zake de nationale rechtsorde van elke lidstaat de criteria te bevatten ter bepaling van de omvang van de schadevergoeding, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen.
In dat verband moeten allereerst, in overeenstemming met het gelijkwaardigheidsbeginsel, bijzondere vergoedingen, zoals exemplaire of punitieve schadevergoeding, in het kader van vorderingen uit hoofde van de communautaire mededingingsregels kunnen worden toegekend, voorzover zulks in het kader van soortgelijke, op het nationale recht gebaseerde vorderingen mogelijk is (zie in die zin arrest Brasserie du pêcheur en Factortame, reeds aangehaald, punt 90).
Het is evenwel vaste rechtspraak dat het gemeenschapsrecht de nationale rechter niet belet erop toe te zien dat de bescherming van de door de communautaire rechtsorde gewaarborgde rechten niet uitloopt op ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden (zie met name arresten van 4 oktober 1979, Ireks-Arkady/ Raad en Commissie, 238/78, Jur. blz. 2955, punt 14, en 21 september 2000, Michail-dis, C-441/98 en C-442/98, Jur. blz. 1-7145, punt 31, en arrest Courage en Crehan, reeds aangehaald punt 30).'
Het recht op punitieve schadevergoeding kan, anders dan het HvI EG heeft geoordeeld met betrekking tot het recht op vergoeding van rente in het kader van een schadevergoeding (zie § 7.11), niet als een wezenlijk bestanddeel van de stelsels van de lidstaten worden gekwalificeerd. Enerzijds zegt het HvI EG dat bijzondere vergoedingen, zoals exemplaire of punitieve schadevergoeding, in het kader van vorderingen uit hoofde van de communautaire mededingingsregels moeten kunnen worden toegekend (gelijkwaardigheidsbeginsel), indien zulks in het kader van soortgelijke, op het nationale recht gebaseerde vorderingen mogelijk is. Anderzijds belet het gemeenschapsrecht de nationale rechter niet erop toe te zien dat de bescherming van de door de communautaire rechtsorde gewaarborgde rechten niet uitloopt op ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden.