Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.6.2
6.6.2 Aansprakelijkheid voor ondergeschikten
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS302820:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 5.4.
Lid 2 kenmerkt zich door een strikter functioneel verband-vereiste dan lid 1: lid 2 vestigt alleen een aansprakelijkheid van de opdrachtgever voor fouten van de ondergeschikte begaan binnen zijn taakvervulling, terwijl lid 1 zich ook uitstrekt tot fouten die daarbuiten worden gemaakt.
Zie par. 5.3.1.
Waaronder de vereniging van appartementseigenaren (art. 5:124 lid 1).
Een natuurlijk persoon die zelfstandig een onderneming drijft. Voor deze ondernemingsvorm bestaat geen wettelijke regeling. Omdat de eenmanszaak geen zelfstandige juridische betekenis heeft, is de natuurlijke persoon-ondernemer zelf eigenaar van de productiemiddelen van de onderneming en op hem rusten de vermogensrechtelijke verplichtingen die hij in het kader van de onderneming is aangegaan.
Anders dan een NV of BV, is een personenvennootschap geen rechtspersoon. Vgl. Mohr en Meijers 2013, p. 3.
Parl. gesch. Boek 6, p. 714, 718 en 726. Zie omtrent het aspect van ‘opspoorbaarheid’ in dit verband ook HR 14 juli 2017, NJ 2017/467, m.nt. Spier (JMV/Zurich), r.o. 3.4.2.
Parl. gesch. Boek 6, p. 714, 722.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/189; Oldenhuis 2014/49; Verheij 2015/33; Spier e.a. 2015/91.
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:8971 (Misbruik door pastoor), waaruit volgt dat een Aartsbisdom onder de ex art. 6:170 lid 1 aansprakelijken kan vallen. Ook noem ik HR 15 december 2017, RvdW 2018/30 (Parochie/X), waarin een Parochie werd geacht een ‘bedrijf’ in de zin van lid 4 van art. 7:658 uit te oefenen. Uit de conclusie van A-G Keus sub 3.12- 13 voor het arrest blijkt dat met ‘beroep of bedrijf’ in lid 4 van art. 7:658 (vooral) is beoogd ‘privésituaties’ buiten het toepassingsbereik van deze bepaling te houden, waarvan in het geval van de activiteiten van de Parochie geen sprake was. Een dergelijke ruime uitleg van het bedrijfsbegrip in lid 4 van art. 7:658 is mijns inziens niet geheel zonder betekenis voor het bedrijfsbegrip van art. 6:181: de ratio van beide bepalingen is namelijk op dezelfde leest geschoeid. De gedachte achter art. 7:658 lid 4 is dat de vrijheid van degene die een bedrijf uitoefent om te kiezen voor het laten verrichten van het werk door werknemers of door anderen, niet van invloed behoort te zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht (Kamerstukken II 1997/98, 25263, 14, p. 6), terwijl een gedachte achter art. 6:181 valt aan te wijzen inhoudende dat in geval van schade door bedrijfsmatige activiteiten de rechtspositie van de benadeelde niet mag verschillen, al naar gelang de bedrijfsmatige gebruiker zijn activiteiten verricht met eigen dan wel ‘ingeleende’ hulpzaken (vgl. Parl. gesch. Boek 6, p. 745-746).
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/499; Valk, T&C BW (2017), commentaar op art. 6:236, aant. 2 en art. 6:237, aant. 1.
Asser/Hijma 7-I 2013/74.
Asser/Hijma 7-I 2013/77.
Wel geldt hierbij dat art. 6:170 lid 2 een restrictievere aansprakelijkheid kent dan die uit art. 6:170 lid 1, terwijl de aansprakelijkheid van de bezitter ex art. 6:173, 174 en 179 in beginsel inhoudelijk niet anders/beperkter is dan wanneer art. 6:181 toepasselijk is.
Zoals reeds door mij bepleit, fungeert niet art. 6:171 maar art. 6:170 als inspiratiebron voor de toepassing van art. 6:181.1 Dit is onder meer van belang bij het in kaart brengen van degenen die ingevolge art. 6:181 met een kwalitatieve aansprakelijkheid belast kunnen worden. Art. 6:171 ziet namelijk enkel op degene die een ‘bedrijf’ uitoefent, waarbij deze term dan een enigszins ruime uitleg toekomt nu daaronder ook het beroep met bedrijfsmatige trekken en het overheidsbedrijf worden begrepen. Het bereik van art. 6:170 lid 1 is aanzienlijk ruimer. Dit volgt uit lid 2 van art. 6:170, dat een restrictievere aansprakelijkheid voor ondergeschikten kent dan die uit art. 6:170 lid 1.2 De aansprakelijkheid uit lid 2 van art. 6:170 geldt voor natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daarmee ziet lid 1 op het ‘gebruik’ van hulppersonen door iedere rechtspersoon é n ieder natuurlijk persoon, mits beroeps- of bedrijfsmatig handelend. Eerder is al gebleken dat op grond van art. 6:170 lid 1 zodoende een brede groep opdrachtgevers aansprakelijk is: voor de toepassing van art. 6:170 zijn niet alleen het ‘bedrijf’ en ‘beroep’ gelijkgeschakeld maar wordt daarmee ook de overheid (zowel het overheidsbedrijf als de klassieke overheid) op één lijn wordt gesteld, terwijl art. 6:170 bovendien betrekking kan hebben op organisaties als ziekenhuizen, onderwijsinstellingen, stichtingen en verenigingen.3 Nu de aansprakelijkheid voor hulpzaken van art. 6:181 in feite het equivalent is van de aansprakelijkheid voor hulppersonen van art. 6:170 lid 1, is de precieze hoedanigheid van degene die op grond van art. 6:170 lid 1 kan worden aangesproken interessant. Waar liggen op het terrein van art. 6:170 lid 1 de grenzen? En is aan art. 6:170 lid 1 wellicht wél een algemene maatstaf te ontlenen ter duiding van de kwalitatief aansprakelijke?
Ten eerste ontsluit zich met de toepasselijkheid van art. 6:170 lid 1 op íedere rechtspersoon al een ruim bereik. Concreet kunnen worden genoemd de in Boek 2 BW geregelde privaatrechtelijke rechtspersonen: de besloten vennootschap (B.V.), naamloze vennootschap (N.V.), stichting, vereniging,4 coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (art. 2:3). Voorts ziet lid 1 van art. 6:170 op publiekrechtelijke rechtspersonen zoals de Staat, provincies, gemeenten en waterschappen (art. 2:1 lid 1) en bijvoorbeeld ook landelijke en regionale eenheden van de politie (art. 25 en 26 Politiewet 2012). Voorts bezitten ook kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen, zoals een bisdom of parochie, rechtspersoonlijkheid (art. 2:2 lid 1). Al deze ‘organisaties’ zijn dus ex art. 6:170 lid 1 kwalitatief aansprakelijk voor schade door ‘fouten’ van hun ondergeschikte hulppersonen die in verband met de taakvervulling worden gemaakt.
Gaat het niet om een rechtspersoon maar een natuurlijk persoon, dan is lid 1 van art. 6:170 eveneens toepasselijk mits diegene beroeps- of bedrijfsmatig handelt. Hierbij kan in ieder geval gedacht worden aan de privaatrechtelijke rechtsvormen zonder rechtspersoonlijkheid als de eenmanszaak,5 vennootschap onder firma (V.o.f., art. 16 WvK), commanditaire vennootschap (C.V., art. 19 WvK) en maatschap (art. 7A:1655 e.v.).6 Ter beantwoording van de vraag aan welke natuurlijke personen in de context van lid 1 van art. 6:170 nog meer kan worden gedacht, is relevant dat in de parlementaire geschiedenis het onderscheid tussen lid l en lid 2 van art. 6:170 is gemotiveerd met het spreidingsargument en de eenheidsgedachte. De natuurlijke persoon die beroeps- of bedrijfsmatig handelt heeft een ‘risk spreading capacity’ vanwege de mogelijkheid schadeaanspraken en/of verzekeringskosten af te wentelen op de afnemers van zijn goederen of diensten. Voorts moet blijkens de wetsgeschiedenis degene die als eenheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt ook met succes aansprakelijk gesteld kunnen worden voor binnen die eenheid gemaakte ‘fouten’, zonder dat de benadeelde behoeft te bewijzen welke ondergeschikte de schade precies toebracht.7 Deze argumenten van schadespreiding en ‘eenheid’ rechtvaardigen de ruimere aansprakelijkheid uit lid 1 van art. 6:170, en zijn volgens de wetsgeschiedenis ‘niet deugdelijk’ in geval van fouten van personeel in dienst van ‘particulieren’.8 In de literatuur over het toepassingsgebied van lid 2 van art. 6:170 wordt wel gesproken van de ‘werkgever in de privésfeer’.9 Als voorbeelden van zijn aansprakelijkheid worden genoemd fouten begaan door huispersoneel, de kinderoppas, tuinman en tijdens een huishoudelijke stage binnen gezinsverband.10
Wat naar voren komt, is dat waar lid 2 van art. 6:170 spreekt van natuurlijke personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig handelen, daarmee de facto wordt gedoeld op opdrachtgevers van ondergeschikte hulppersonen in de particuliere oftewel privésfeer. Daarmee ziet de hoofdregel van lid 1 van art. 6:170 op iedere professionele opdrachtgever. Hieronder vallen dan inderdaad in ieder geval de reeds in relatie tot art. 6:170 lid 1 concreet genoemde ‘organisaties’ als een bedrijf, beroep, de overheid, ziekenhuizen, onderwijsinstellingen, stichtingen en verenigingen. Nu met ‘de professional’ een algemene maatstaf is gevonden, kan aan de hand daarvan worden aangenomen dat bijvoorbeeld ook een niet concreet in de wetsgeschiedenis genoemde kerkelijke instelling onder de reikwijdte van art. 6:170 lid 1 valt.11 Alleen de groep van niet-professionele c.q. particuliere opdrachtgevers valt buiten het bereik van deze regeling.
Dit sluit aan bij andere wettelijke regelingen in het BW, waarin eveneens wordt gesproken van de ‘natuurlijk persoon die niet beroeps- of bedrijfsmatig handelt’. Zodoende beogen art. 6:236 (zwarte lijst) en 237 (grijze lijst) door middel van deze maatstaf bescherming te bieden aan ‘particulieren’ of ‘consumenten’ c.q. degenen die goederen of diensten verwerven ten behoeve van hun privégebruik (waaronder begrepen gebruik in het gezin of huishoudelijk gebruik) tegen gebruikers van onredelijke algemene voorwaarden.12 In de regeling van de consumentenkoop (art. 7:5) is vanuit het oogpunt van consistentie de maatstaf van ‘natuurlijk persoon die niet beroeps- of bedrijfsmatig handelt’ uit art. 6:236 en 6:237 overgenomen,13 waaromtrent wordt aangegeven dat hiermee wordt gedoeld op degene die niet professioneel maar privé, als particulier c.q. als consument optreedt.14 Kortom, degene die op grond van art. 6:170 lid 1 aansprakelijk is, betreft eenieder die professioneel handelt. Tegenover deze ‘professional’ staat degene die privé c.q. als particulier of ‘consument’ handelt.
Nu art. 6:170 lid 1 als oriëntatiepunt voor de uitleg van art. 6:181 heeft te gelden, ligt het in de rede dat art. 6:181 de aansprakelijkheid doet rusten op iedere professionele gebruiker van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken. Zodoende vindt ook art. 6:181 zijn grens waar de professionele sfeer ophoudt en de particuliere c.q. privésfeer begint. Hiermee is ook een hanteerbare algemene maatstaf gegeven, aan de hand waarvan telkens in het voorliggende geval kan worden beoordeeld of de concrete betrokkene al dan niet onder het bedrijfsbegrip van art. 6:181 valt. In geval van niet-professioneel gebruik van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken mist art. 6:181 toepassing en doet de aansprakelijkheid van de (particuliere) bezitter dienst als vangnet. Zo beschouwd vormt het stelsel van art. 6:181 jo. 173, 174 en 179 betreffende hulpzaken in feite het equivalent van art. 6:170 lid 1 en2 betreffende hulppersonen. Art. 6:170 stelt voor schadeveroorzakende hulppersonen de aansprakelijkheid in de professionele sfeer voorop (lid 1) en kent voor de particuliere sfeer een bijzondere regeling (lid 2). Gaat het om schadeveroorzakende hulpzaken, dan stelt art. 6:181 de aansprakelijkheid in de professionele sfeer voorop, en geldt de aansprakelijkheid uit art. 6:173, 174 en 179 van de (particuliere) bezitter als vangnet.15 Art. 6:171 daarentegen ziet op de bedrijfsmatige context in meer traditionele zin en kent geen aansprakelijkheid voor zelfstandige hulppersonen van opdrachtgevers in de particuliere sfeer.