Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.5.2
6.5.2 De beroepsbeoefenaar
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297972:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Ik wijs bijvoorbeeld op de brand op 28 september 2006 in het Twenteborg Ziekenhuis te Almelo, waarbij een op de operatietafel gefixeerde, plaatselijk verdoofde patiënte om het leven kwam. De brand op de operatiekamer was ontstaan in een door het ziekenhuis gebruikte (gebrekkige) anesthesiezuil. Zie nader o.a. het rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, Den Haag, mei 2008.
Vgl. Rb. Roermond 13 augustus 2003, VR 2004/30 (Kuipstoel).
Vgl. art. 7:2, 7:5 (koop), art. 7:404, 7:406 lid 2, 7:408 lid 3 (opdracht); art. 7:658 lid 4 (materiële werkgever); art. 6:193a (oneerlijke handelspraktijken); art. 6:194 (misleidende reclame) en art. 6:231e.v. (algemene voorwaarden) waarin van ‘beroep of bedrijf’ wordt gesproken.
De voorgestelde nieuwe titel beoogde de ‘verouderde’ regelingen betreffende de maatschap (art. 7A:1655-1688), de vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap (art. 15-34 WvK) te vervangen. Zie Kamerstukken II 2002/03, 28746, 3, p. 1.
Kamerstukken II 2002/03, 28746,1-2, p. 2; Kamerstukken II 2003/04, 28746, 6, p. 1.
Het voorstel zou onvoldoende aan de doelstelling – het faciliteren van ondernemers – voldoen. Met het gemaakte onderscheid tussen beroep en bedrijf had dit niets van doen. Kamerstukken II 2011/12, 28746, 7; Kamerstukken I 2011/12, 31065, D. Zie ook Mohr en Meijers 2013, p. 9.
Kamerstukken nr. 33712.
Kamerstukken II 2012/13, 33712, 1-2. De wet leidde tot aanpassing van art. 6:194 inzake misleidende reclame, door toevoeging van de leden 2 t/m 4.
Zie art. 6:194 lid 2 en 3.
Kamerstukken II 2012/13, 33712, 3, p. 18, 22.
Kamerstukken II 2012/13, 33712, 3, p. 22. Een verschil zou volgens de toelichting nog gelegen kunnen zijn in het feit dat het begrip ‘bedrijf’ primair wordt bepaald door een ondernemingsgewijze bedrijfsuitoefening, in tegenstelling tot het begrip ‘beroep’, hetgeen een door persoonlijke kwalificaties bepaalde beroepsuitoefening betreft.
Kamerstukken II 2013/14, 33712, 6, p. 19, waaruit volgt dat met de gekozen redactie van het nieuwe art. 6:194 lid 2 is beoogd niet enkel ‘ondernemingen, maar ook beroepen en organisaties expliciet onder het toepassingsbereik van het voorgestelde artikel te laten vallen.’ (curs. AK). Dit duidt niet op een verruiming van de term ‘bedrijf’, meer op een verduidelijking. Vgl. de hierna in par. 6.6.4.4 nog te bespreken ‘verduidelijking’ van art. 6:175 inzake de aansprakelijke persoon voor gevaarlijke stoffen bij gelegenheid van het schrappen van de bezittersaansprakelijkheid.
Zie ook Kamerstukken II 2014/15, 33712, 8, p. 8.
Zie par. 5.4.
Gedurende de parlementaire totstandkoming werd al aangegeven dat beroepsbeoefenaren met bedrijfsmatige trekken ook onder het bedrijfsbegrip van art. 6:181 kunnen vallen. Mijns inziens zijn geen overtuigende argumenten aangedragen om zogeheten vrije beroepsbeoefenaren wél buiten het bereik van art. 6:181 te houden. Ook ‘traditionele’ beroepsbeoefenaren zoals bijvoorbeeld artsen, verloskundigen, architecten, advocaten, notarissen, gerechtsdeurwaarders, accountants, fiscalisten en assurantietussenpersonen zijn in de loop der tijd immers steeds ‘bedrijfsmatiger’ gaan handelen. Hier staat tegenover dat ‘echte’ bedrijfsuitoefening allang niet meer beperkt is tot bijvoorbeeld het vervaardigen, be- of verwerken en leveren van producten, getuige de inmiddels bestaande omvangrijke zakelijke dienstverleningssector. Voor beroepsbeoefenaren geldt bovendien dat zij zich inmiddels in steeds grotere verbanden hebben verenigd. Voorts kan degene die een beroep uitoefent zijn werkzaamheden ook (deels) overlaten aan ondergeschikte of zelfstandige hulppersonen en/of zich bedienen van hulpzaken. In geval van beroepsuitoefening kan dus evenzeer sprake zijn van een organisatie waarvan interne rechtsverhoudingen voor benadeelden niet altijd gemakkelijk zijn te doorgronden. Denk hierbij aan lastige vragen als wie de ‘achterliggende’ bezitter is van een zaak die bij de beroepsuitoefening wordt ingezet, alsmede wie in geval van schadeveroorzaking door een dergelijke zaak de eventueel daaraan ex art. 6:162 ‘schuldige’ is. In sommige gevallen van beroepsuitoefening is zelfs in sterkere mate sprake van moeilijk te doorgronden interne verhoudingen dan in geval van ‘echte’ bedrijfsuitoefening. Denk aan een eenmanszaak zoals een loodgietersbedrijf – dat ondanks het ontbreken van een wirwar van (interne) verhoudingen zonder meer kwalificeert als een ‘bedrijf’ in de zin van art. 6:181 – in vergelijking met een groot advocatenkantoor dat beroepsmatig aan het maatschappelijk verkeer deelneemt. En net als voor bedrijfsuitoefenaren geldt voor beroepsbeoefenaren dat zij als een ‘eenheid’ aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. Ook maken niet enkel ‘echte’ bedrijven maar ook beroepsbeoefenaren bij hun activiteiten geregeld gebruik van specialistisch en kostbaar materieel, getuige de inzet van allerhande technische apparatuur – met bijbehorende ‘verhoogde gevaren’ – in bijvoorbeeld alleen al de medische sector.1 In veel gevallen zal het overigens, of de betreffende gebruiker nu bedrijfs- of beroepsmatig handelt, om het gebruik van eenzelfde soort hulpzaken en ook eenzelfde daardoor in het leven geroepen ‘verhoogde’ gevaren gaan. Denk aan een stoel waarvan plotseling een poot afbreekt,2 de computer of kopieermachine die ‘spontaan’ in brand vliegt dan wel de schoorsteen die plotseling naar beneden komt van het pand waarin de activiteiten zijn ondergebracht. De toevallige omstandigheid door wie deze zaken worden gebruikt, een bedrijfsuitoefenaar of beroepsbeoefenaar, zou voor de toepassing van art. 6:181 geen verschil mogen maken. En of iemand zich nu bedrijfs- of beroepsmatig bedient van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken: in beide gevallen is het in beginsel de gebruiker – en niet (langer) de bezitter – die in de beste positie verkeert invloed uit te oefenen op de aan de zaak verbonden risico’s en om zonodig aan preventie te doen. Tevens loopt degene die een ‘beroep’ uitoefent net als een bedrijfsuitoefenaar zekere aansprakelijkheidsrisico’s. Niet valt in te zien dat van een beroepsbeoefenaar niet gevergd zou kunnen worden deze risico’s als één geheel te verzekeren en daarmee te spreiden over een groter collectief. Evenals bedrijfsaansprakelijkheidsrisico’s zijn de risico’s van beroepsaansprakelijkheid vandaag de dag goed verzekerbaar tegen betaalbare premies. En waar een ‘typisch’ bedrijf de verzekeringspremies kan doorberekenen in de prijzen aan de afnemers van haar goederen of diensten, kan degene die een ‘beroep’ uitoefent bedoelde kosten evenzeer verdisconteren in de bij de afnemers van zijn diensten in rekening te brengen tarieven. Hoewel een winstoogmerk in dit verband als gezegd niet beslissend wordt geacht, kan er tot slot op gewezen worden dat, net zoals degene die een bedrijf uitoefent, ook een beroepsbeoefenaar zijn activiteiten doorgaans verricht met het oog op de eigen broodwinning, althans daarvan een zeker profijt trekt of beoogt te trekken.
Gezien het vorenstaande komen de argumenten op basis waarvan de regering bij de toepassing van art. 6:181 (destijds) onderscheid heeft willen maken tussen bedrijfs- en beroepsuitoefening niet (meer) overtuigend voor. Net als voor degene die een ‘typisch’ bedrijf uitoefent geldt voor een (vrije) beroepsbeoefenaar die zich in het kader van zijn activiteiten bedient van in art. 6:173, 174 of 179 bedoelde hulpzaken, dat deze gebruiker – en niet (langer) de bezitter – degene is die het aan de zaak verbonden ‘verhoogde gevaar’ schept, invloed op de risico’s heeft en aan preventie kan doen, als eenheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt, voor de benadeelde in beginsel gemakkelijk opspoorbaar is, zich op relatief eenvoudige wijze tegen de gevolgen van aansprakelijkheid kan verzekeren, en ook een zeker profijt van het gebruik van de zaak heeft. Alle voornoemde argumenten (a) t/m (h) zijn derhalve niet enkel valide ingeval de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken worden gebruikt in het kader van activiteiten met een traditioneel bedrijfsmatig karakter, maar ook in geval van een beroepsmatige inzet daarvan. Hierbij gaat het dan niet enkel om het beroep met bedrijfsmatige trekken, maar ook om het zogeheten vrije beroep.
Dat een in de wetsgeschiedenis zoals ten aanzien van art. 6:181 verdedigd onderscheid tussen bedrijf en beroep als achterhaald kan worden beschouwd, vindt bevestiging in diverse modernere wettelijke regelingen waarin sprake is van een volledige gelijkschakeling van bedrijf en beroep.3 Dit gold ook voor het in 2002 ingediende Wetsvoorstel inzake personenvennootschappen (titel 7.13).4 In dit voorstel werd de zogeheten openbare beroepsvennootschap op een lijn gesteld met de openbare bedrijfsvennootschap (de beoogde vervanger van de v.o.f.).5 Voor de openbare vennootschap gold onder meer het vereiste dat deze gericht moet zijn op het uitoefenen van een ‘beroep of bedrijf’. Hieromtrent vermeldt de toelichting:6
‘Met het uitoefenen van een beroep of bedrijf wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om een regelmatige, min of meer duurzame maatschappelijke werkzaamheid. Van oudsher heeft men het onderscheid tussen beroep en bedrijf hierin gezocht dat bij het uitoefenen van een beroep de nadruk ligt op het persoonlijk karakter van de werkzaamheden, zoals het geval is bij bijvoorbeeld, artsen, advocaten, belastingadviseurs e.d., terwijl bij het uitoefenen van een bedrijf veeleer het commerciële karakter en de gerichtheid op winst op de voorgrond staan. Er zijn echter in de praktijk grensgevallen, waarin dit criterium geen duidelijk antwoord geeft, terwijl ook afgezien hiervan de grenzen tussen beroep en bedrijf vervagen (…). Hoe dit echter zij, voor de in dit artikel opgenomen omschrijving van de openbare vennootschap is het onderscheid niet van belang.’ (curs. AK)
Hoewel het wetsvoorstel aan nagenoeg het einde van de parlementaire behandeling in de Eerste Kamer in 2011 onverwachts door de minister werd ingetrokken,7 is daarin naar mijn idee weldegelijk steun te vinden voor de (maatschappelijke) opvatting dat, in de ogen van de moderne(re) wetgever, de grenzen tussen de twee bedoelde vormen van maatschappelijk handelen inmiddels zijn verdampt. Ook wijs ik op de per 1 juli 2016 in werking getreden Wet acquisitiefraude,8 waarmee wordt beoogd acquisitiefraude tegen te gaan in de vorm van het doen van misleidende mededelingen.9 De wettekst omschrijft degene die wordt beschermd tegen misleidende mededelingen op ruime wijze als ‘hij die handelt in de uitoefening van een beroep, bedrijf of organisatie’.10 Niet alleen zijn de termen bedrijf en beroep gelijkgeschakeld, maar het wettelijk criterium is ook nog eens uitgebreid met de term ‘organisatie’.11 De toelichting geeft hierbij aan dat ‘eigenlijk geen verschil’ bestaat tussen de termen bedrijf en beroep.12 Uit de toelichting blijkt voorts dat met het gekozen criterium is beoogd ‘buiten twijfel’13 te stellen dat behoudens ‘echte’ bedrijven onder het beschermingsbereik óók beroepen en tevens verenigingen, stichtingen, kerkgenootschappen en ‘andere organisaties’ – waaronder de overheid – vallen.14 Hoewel de hiervoor aangehaalde wetgevingsproducten buiten het terrein van art. 6:181 uiteraard een eigen achtergrond en strekking hebben, komt daaruit voor dit onderzoek wel steeds eenzelfde relevante gedachte naar voren: vandaag de dag bestaat geen rechtens relevant onderscheid meer tussen hetgeen van oudsher wel afzonderlijk met bedrijf of juist beroep werd aangeduid.
Het bij de toepassing van art. 6:181 niet onderscheiden in de beroeps- vs. bedrijfsmatige gebruiker zou tot slot aansluiten bij de dogmatische plaatsbepaling van art. 6:181 ten opzichte van art. 6:170 en 171. Ik heb reeds bepleit dat art. 6:181 ten opzichte van art. 6:171 zijn eigen weg gaat en voor de toepassing inspiratie bij art. 6:170 kan worden opgedaan.15 Van belang is dan dat art. 6:171 aangaande beroepsbeoefening wel geacht wordt alleen te zien op het beroep met bedrijfsmatige trekken (en niet ook op het vrije beroep), terwijl art. 6:170 in het geheel geen onderscheid tussen de uitoefening van een ‘beroep’ of ‘bedrijf’ maakt en deze beide vormen van maatschappelijk handelen volledig bestrijkt. Een voordeel van de door mij voorgestane benadering waarin beroepsuitoefening ‘integraal’ onder de reikwijdte van art. 6:181 valt, is nog dat ter toepassing van deze bepaling – anders dan ten aanzien van art. 6:171 – het hoofd niet gebroken hoeft te worden over de vraag wanneer sprake is van de beoefening van een vrij beroep dan wel een beroep met (voldoende) bedrijfsmatige trekken.