Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/37.3
37.3 Benadeling door de procedurele aanpak van een overheidsinstantie
prof. mr. A. de Moor-van Vugt, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. A. de Moor-van Vugt
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Andere voorbeelden zijn: Rb. Den Haag 12 februari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:1434, TAR 2015, 53; Rb. Den Haag 8 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:10581.
Rb. Roermond 21 maart 2012, ECLI:NL:RBROE:2012:BW0436.
CBb 29 december 2017, ECLI:NL:CBB:2017:412. Zie ook: Rb. Den Haag 24 juli 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ3776 (niet melden start inbreukprocedure wegens te hoge leges). De ABRvS heeft later uitgesproken dat de hoogte van de leges doorzichtig en billijk is. Zie uitspraak van 29 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0203.
Rb. Amsterdam 25 maart 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BH8927. Zie voor een vergelijkbare casus ABRvS 17 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG7202; ABRvS 10 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7033.
ABRvS 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2796.
In deze categorie vallen zaken waarin de aanpak van de overheid onbedoeld nadelige gevolgen heeft voor de burger. Het gaat dan om een ongelukkige aanpak, om slordigheden of een ongelukkige samenloop van omstandigheden. In deze gevallen wordt het fair-playbeginsel wel aangehaald, maar het besluit vaak vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Hierna volgen slechts enkele voorbeelden uit de rechtspraak. 1
De afwijzing van de aanvraag om een werkleeraanbod (WLA) en een uitkering op grond van de Wet Investeren in Jongeren (WIJ) was in strijd met het fair-playbeginsel. De afwijzing was erop gebaseerd dat de aanvrager niet was komen opdagen op twee afspraken, terwijl de uitkeringsambtenaar uit een hoorzitting wist dat er problemen waren met de postontvangst, en zij ook wist dat zij hem die dag een uitnodiging voor een gesprek had gestuurd. Door dit niet te melden tijdens die hoorzitting en de aanvrager vervolgens af te rekenen op het missen van de afspraak, werd het beginsel geschonden.2
De subsidie voor het instandhouden van kuddes van Kempische heideschapen werd verleend onder de opschortende voorwaarde dat de Commissie de subsidieregeling niet zou aanmerken als staatssteun. Vervolgens werd de subsidie verlaagd, naar zeggen van de minister om niet met de staatssteunregels in botsing te komen. Ter zitting bij het CBb bleek echter dat de minister de regeling nooit had aangemeld bij de Commissie en zich daar gedurende de procedure schimmig over had uitgelaten. Bij navraag door het CBb bij de Commissie kwam deze nalatigheid uit, en ook dat de Commissie twijfel had over de verenigbaarheid van de regeling met het staatssteunregime. Omdat de minister geen open kaart had gespeeld, vernietigde het CBb de verlaagde subsidiebeschikkingen wegens strijd met het fair-playbeginsel.3
De minister legde vier afzonderlijke Wav-boetes op vanwege gedurende twee maanden begane overtredingen (werken zonder tewerkstellingsvergunning). Het ging steeds om sloopwerkzaamheden aan de panden van de overtreder, verricht door dezelfde vreemdelingen. De overtreder had echter een sloopbedrijf ingehuurd. Pas na het constateren van alle overtredingen werd de overtreder geïnformeerd, waardoor zij tussentijds de overtredingen niet had kunnen beëindigen en kunnen voorkomen dat meer boetes werden opgelegd. In beroep was aangevoerd dat dit in strijd met het fair-playbeginsel was, maar de rechtbank vernietigt wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.4
In de inleiding werd al gerefereerd aan het geval van de Wav-boete. Deze werd opgelegd aan twee natuurlijke personen, die volgens de minister samen een doelvermogen vormden en daarom gelijkgesteld konden worden aan een rechtspersoon ( artikel 5:1 lid 3 Awb jo. artikel 51 lid 3 WvSr). Na bezwaar werd de boete ingetrokken en vervangen door twee (in totaal hogere) boetes, per persoon één. In hoger beroep oordeelde de Afdeling het abusievelijk aanmerken van deze twee personen als doelvermogen en het intrekken van het besluit om vervolgens twee afzonderlijke boetes op te leggen als strijdig met het fair-playbeginsel. De minister had dit kunnen voorkomen door al meteen deugdelijk te onderzoeken of daadwerkelijk sprake was van een doelvermogen. Door dat onderzoek pas na het bezwaar te doen werden deze personen met een nieuwe procedure tot boeteoplegging belast. De Afdeling matigde de boete daarom met 50%. Hier zien we dat het fair-playbeginsel dient als een correctie in een geval waarin het ne-bis-in-idembeginsel geen oplossing biedt. Er is immers niet tweemaal beboet voor hetzelfde feit, omdat de eerste boete is ingetrokken. Er zijn wel twee procedures gevoerd; in het strafrecht brengt het beginsel ne-bis-vexari mee, dat iemand niet tweemaal mag worden vervolgd voor hetzelfde feit (met als gevolg dubbele bestraffing). Dit beginsel kennen we in het boeterecht niet, maar de toepassing van het fair-playbeginsel werkt in ieder geval mitigerend op het gevolg van de dubbele procedure.5