Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.3.10
3.3.10 Misbruik
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264483:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1899-1890 (ad D. 20,1,23); Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 893-894 (ad C. 4,24,2); Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p.; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 16 (ad C .4,24) en p. 19-22 (ad C. 4,24,1-4,24,3). Vgl. §3.2.2. Zie voorts Heusler 1886, p. 134-136 en 143.
Vgl. Heusler 1886, p. 202; Génestal 1901, p. 1-2; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 346.
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 893-894 (ad C. 4,24,2-4,24,3); Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad D. 13,7,15 en D. 13,7,24,3; Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 7.3.8; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 21-22, nr. 2 en nr. 6 (ad C. 4,24,3); Heusler 1886, p. 202-203; Landwehr 1967, p. 364-365.
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 893-894 (ad C. 4,24,2-4,24,3); Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 7.3.4; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 21-22, nr. 2 en nr. 6 (ad C. 4,24,3).
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 7.3.7; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 22, nr. 6 (ad C. 4,24,3).
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 894 (ad C. 4,24,3). Vgl. Heusler 1886, p. 201-203.
Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 22, nr. 6 (ad C. 4,24,3); Planitz 1982, p. 126.
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1401 (ad D. 13,7,15).
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1408 (ad D. 13,7,24,3). Volgens Landwehr kon een pandrecht ook tenietgaan als sprake was van schuldeisersverzuim bij de pandhouder: Landwehr 1967, p. 359-360.
Als grens aan de gebruikshandelingen waartoe de pandhouder bevoegd was, gold dat het gebruik nut (commodum) voor het onderpand moest opleveren.1 Aannemelijk is dat dit nut zich, indien mogelijk, moest verwezenlijken in de vorm van een vruchtopbrengst.2 De pandgebruiker kon dus geen handelingen met het onderpand verrichten die zich geen vruchten of ander nut opleverden.
De tweede grens aan de bevoegdheid tot pandgebruik was de aansprakelijkheid van de pandgebruiker voor schade die hij had veroorzaakt. De pandgebruiker was met de actio pigneraticia directa aansprakelijk voor schade die aan het onderpand was ontstaan door zijn doen of nalaten.3 Hij was in dit verband aansprakelijk voor opzet, zware schuld en gewone schuld.4 De pandgebruiker was bijvoorbeeld aansprakelijk voor een doen als hij onbevoegd vruchtdragende bomen had omgehakt of een gebouw had gesloopt.5 Gedacht kon ook worden aan slijtage die aan het onderpand was ontstaan door gebruik van de pandhouder.6 De pandgebruiker was aansprakelijk voor een nalaten als een gebouw was ingestort doordat hij het niet had onderhouden of een akker in waarde achteruit was gegaan doordat hij die niet had omgeploegd.7 Voorts was de pandgebruiker aansprakelijk als hij wist dat ten gunste van het onderpand een recht van erfdienstbaarheid was gevestigd, maar hij dit recht door non usus teniet had laten gaan.8 Als de pandgebruiker misbruik maakte van het onderpand, bijvoorbeeld door een verpande slavin te prostitueren, ging het pandrecht zelfs teniet zodat de pandgever de slavin terugkreeg.9