Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/3.3.2.1
3.3.2.1 De contracttheorie
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS399957:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
J.J. Rousseau, Het maatschappelijk verdrag, vertaald door S. van den Braak en G. van Roermund, Amsterdam, Meppel, Boom, 1997, blz. 127.
J.J. Rousseau, a.w., blz. 69 en 70. Zie ook, blz. 44, 57 en 71. “Juist om niet het slachtoffer van een moordenaar te worden, stemt men erin toe te sterven als men een moordenaar wordt.”
E.C.C.M. Kemmeren, Principle of origin in tax conventions. A rethinking of models, Dongen, Pijnenburg, 2001, blz. 18 en 19.
R.S.J. Martha, The jurisdiction to tax in international law. Theory and practice of legislative fiscal jurisdiction, Deventer, Kluwer, 1989, blz. 21.
J.J. Rousseau, a.w., blz. 55. een ieder verbindt zich in tweeërlei opzicht, als lid van de soeverein jegens de afzonderlijke personen en als lid van de staat jegens de soeverein.
Een heffing in het land van de overledene kan mijns inziens ook slechts worden gezien als een heffing die hetgeen de overledene tijdens zijn leven heeft opgebouwd beoogt te belasten. Indien de heffing tot doel heeft de vermogensaanwas bij de erfgenamen te belasten, zou heffing in het land waar zij woonachtig zijn meer op zijn plaats zijn.
De contracttheorie gaat uit van de gedachte dat sprake is van een contract tussen de staat en elk van zijn rechtssubjecten. Op basis van dit contract kan de staat rechten scheppen voor en verplichtingen opleggen aan de rechtssubjecten. Eén van deze verplichtingen kan bestaan uit het bijdragen aan de financiële middelen van de staat. Het contract is een wederkerige overeenkomst. In ruil voor de verplichtingen die de staat oplegt aan de rechtssubjecten krijgen zij bepaalde rechten van de staat, in de vorm van onder andere bescherming van hun leven en eigendommen. Als grondlegger van de contracttheorie kan onder andere Rousseau worden beschouwd. Hoewel Rousseau van mening is dat belastingen in een vrije staat niet kunnen bestaan,1 volgt ook uit zijn betoog dat sprake is van een wederkerige overeenkomst, een voordelige ruil, waarbij de burgers bepaalde voordelen die zij hebben in de natuurtoestand (de oorspronkelijke toestand waarin zij zich bevinden) opgeven ter wille van onder andere het verkrijgen van een betere en veiligere bestaanswijze, vrijheid en eigen veiligheid.2 Als bezwaar tegen de contracttheorie wordt aangevoerd dat een contract tussen staat en rechtssubjecten feitelijk niet bestaat en daadwerkelijke overeenstemming ontbreekt.3 Zo stelt Martha onder andere dat men zou kunnen stellen dat een persoon die zich vrijwillig naar een ander land begeeft, daar goederen aanschaft of daar zaken doet impliciet een contract sluit met dit land. Een dergelijk impliciet contract is echter niet aanwezig bij de heffing van successierechten van een buitenlander die niet oonachtig is in het land van de overledene.4 Mijns inziens kan tegen het bezwaar dat er geen daadwerkelijke overeenstemming is tussen staat en rechtssubjecten worden ingebracht dat de contracttheorie slechts een filosofische theorie is die een rechtvaardiging zoekt voor het bestaan van een staat en dus niet daadwerkelijk een daad veronderstelt waarbij alle burgers een contract sluiten en zich binden aan de staat en daarmee aan elkaar.5 De gedachte van Martha dat bij een buitenlander die successierechten betaalt in het land van de overledene geen sprake is van een impliciet contract geldt mijns inziens niet indien het successierecht wordt gezien als een heffing van de overledene in plaats van de erfgenamen.6 De heffing van successierecht zou dan kunnen worden gezien als een tegenprestatie voor de diensten die de staat de overledene gedurende zijn leven heeft bewezen. Mijns inziens dient de contracttheorie niet meteen verworpen te worden op basis van de omstandigheid dat een feitelijk contract niet bestaat, maar kan uit de grondslagen van deze theorie worden afgeleid dat het recht van een staat om te heffen volgt uit het feit dat de rechtssubjecten in ruil voor de voordelen die de staat hen biedt, bereid zijn bepaalde verplichtingen na te komen. Belasting moet dan ook worden geheven van diegenen aan wie de voordelen die de staat biedt, toekomen. De mate waarin een ieder moet bijdragen laat deze theorie in principe ongemoeid. Uit het veronderstelde contract volgt dat een ieder moet bijdragen aan de behoeften van de samenleving en dat de mate waarin wordt bepaald door wat Rousseau de algemene wil noemt, het gemeenschappelijk belang van alle burgers.