Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/3.2.1
3.2.1 Tot eind 20e eeuw
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633561:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 8 van de Bataafse Staatsregeling van 1798: “De eerbiedige erkentenis van een albestuurend opperwezen versterkt de banden der maatschappy en blyft iederen burger den duursten aanbevolen.”Artikel 11 van de Bataafse Staatsregeling van 1801: “Alle Kerkgenootschappen, welke ter bevordering van deugd en goede zeden een Hoogst Wezen eerbiedigen en hulde doen, genieten eene gelyke bescherming der Wetten. Ieder Kerkgenootschap belydt zyne gevoelens openlyk, en vergunt aan een iegelyk den vryen toegang tot zyne Bijëenkomsten.”
Van Kooten 2017, p. 458.
De Bruijn 2014, p. 219-235.
De Hart 2014, p. 121.
De Bruijn 2014, p. 232.
De Hart & Dekker 2013, p. 229, 230.
De Bruijn 2014, p. 234, 235.
Dit betekent verschillende kerken bezoeken; zich verdiepen in meerdere geestelijke stromingen en van elk het beste behouden (http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/relishoppen, laatst bezocht op 2 juni 2015).
De Hart & Dekker 2013, p. 236, 243.
De Hart & Dekker 2013, p. 242.
De Hart 2013, p. 14, 15, 20, 21 en 72; De Hart 2014, p. 67, 69, 73, 74, 97.
Believing apart together.
De Hart & Dekker 2013, p. 243.
Van den Belt & Moret 2010, p. 43, 235.
Bernts (red.) 2004, p. 149.
Hijmans 1994, p. 207, 208.
Van den Belt & Moret 2010, p. 42.
Pluralisme is een wezenlijk kenmerk van de religieuze geschiedenis van Nederland. Dit was al het geval onder de Republiek der Verenigde Nederlanden (1579-1795), die wegens haar tolerante beleid jegens religieuze minderheden de reputatie van verdraagzaamheid binnen Europa genoot. Met de scheiding van kerk en staat in 1796 werd het eerder gedoogde religieus pluralisme gelegaliseerd zoals blijkt uit de eerste staatsregeling van de Bataafse Republiek in 1798. Hierin werd iedere burger godsdienstvrijheid toegekend en kregen alle kerken gelijke bescherming. Een algemeen beginsel van deze staatregeling was de notie van Nederland als christelijke natie, de gemeenschappelijke christelijke identiteit die de maatschappelijke banden zou versterken en deugd en goede zeden zou bevorderen.1 Volgens de toenmalige wetgever vertegenwoordigde godsdienst als zodanig – dus zonder enige voorkeur voor een bepaalde godsdienst – een moreel en sociaal belang en leverde daarmee een bijdrage aan de samenleving.2 Ook de grondwet van 1814 erkende uitdrukkelijk het belang van religie voor de staat en de samenleving door ‘de bevordering van godsdienst’ tot een overheidstaak te rekenen.3
Tot de jaren zestig van de 20e eeuw was de Nederlandse samenleving ongeveer honderd jaar verdeeld in van elkaar afgeschermde groepen of zuilen op levensbeschouwelijke grondslag.4 Elke zuil kende haar eigen cultuur, overtuigingen, leefregels, maatschappelijke organisaties (zoals scholen, vakbonden, ziekenhuizen) en media. De katholieken, de gereformeerden en de socialisten bijvoorbeeld opereerden min of meer afgezonderd van elkaar, iedere groep in haar eigen zuil. Met de opkomst van de verzuiling als een typisch Nederlands fenomeen dat qua vorm en mate uniek was in Europa werd het levensbeschouwelijk pluralisme geïnstitutionaliseerd.5
Vanaf de jaren zestig van de 20e eeuw begonnen de zuilen af te brokkelen en zette het ontzuilingsproces zich in. Vanaf toen zijn volgens De Hart en Dekker drie ontwikkelingen te onderscheiden: (1) de ontkerkelijking, die zich vooral voltrok binnen de katholieke en de protestantse kerken, (2) de opkomst van de migrantenreligies met inbegrip van de islam en (3) de toename van religieus individualisme.6 De homogene publieke moraal met christelijk-humanistische waarden die de Nederlandse samenleving lange tijd kende, maakte plaats voor een diversiteit aan onderling verschillende waardensystemen op al dan niet religieuze grondslag.7
‘Relishoppen’8 kwam steeds meer in. Via meerdere religies, spirituele stromingen, tradities en wijsheden sprokkelen moderne gelovigen een hoogstpersoonlijke levensbeschouwing bij elkaar. Bij voorkeur omarmen ze de optimistische en hoopvolle kant van het geloof: geloof in een leven na de dood, in de heilzame uitwerking van gebeden en in het bestaan van wonderen. De Hart en Dekker spreken van ‘zoekreligiositeit’: mensen zijn op zoek naar ‘knuffelspiritualiteit’ en een ‘religieus pretpakket’.9 De nieuwe houding tegenover religie en levensbeschouwing weerspiegelt een grote verschuiving van geloof naar zoekgedrag. Met name de babyboomers hebben de benaming ‘generatie van zoekers’ gekregen.10
Het Nederland van na de ontkerkelijking, verzuiling en secularisatie van de afgelopen halve eeuw vertoont geen eenduidig maar een paradoxaal, pluriform en dynamisch beeld volgens De Hart.11 Krimpende, vergrijzende, verdwijnende en lege traditionele kerken en afbrokkelende geloofstradities tegenover stampvolle nieuwe groeikerken, druk bezette gastenverblijven van abdijen en de snelle verbreiding van sterk geïndividualiseerde vormen van spiritualiteit (‘nieuwe spiritualiteit’, ‘holistische spiritualiteit’, ‘alternatieve spiritualiteit’ of ‘postmoderne spiritualiteit’). Buitenkerkelijken zijn niet per definitie religieus of spiritueel ongevoelig en kerkleden hoeven niet altijd overtuigde gelovigen te zijn. Religie, het zoeken naar een spirituele dimensie en de behoefte aan rituelen spelen nog steeds een belangrijk rol in het leven van veel Nederlanders. Er is meer exploratiedrang, believing without belonging (geloof zonder institutionele binding) maar ook belonging without believing. Er is sprake van een ‘BAT-relatie’12 met de confessionele organisaties. De nadruk is meer komen te liggen op het persoonlijke karakter en de psychologische kant van religie en levensbeschouwing – persoonlijk beleven en ervaren – zoals blijkt uit de toename van ‘emoreligies’, groeiende verkoopcijfers van populaire zelfhulp- en therapieboeken en het aanbod in de media.13 Van den Belt en Moret constateren dat na de ontkerkelijking een trend is ontstaan van zoeken naar nieuwe vormen van al dan niet religieus getinte ethiek, spiritualiteit en handelen. Zij menen hierin de basis te zien voor de “oplevende aandacht voor spiritualiteit en moreel besef in de bedrijfsvoering”, zoals onder meer blijkt uit de komst van stilteruimtes en gebedsmogelijkheden in bedrijven.14 Kerkelijke teruggang heeft dus niet geleid tot het verdwijnen van religie en spiritualiteit en betekent evenmin dat Nederlanders geen waarde meer hechten aan kerken of niet meer op zoek zijn naar religieuze betekenisgeving.15 De rol van religie is niet uitgespeeld, want de institutionele religie heeft onder meer plaats gemaakt voor niet-kerkelijke of niet-traditionele vormen van religieuze zingeving.16 De waarden van het christelijke geloof of de christelijke traditie behouden ook voor kerkverlaters hun belang, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het kwantitatieve onderzoek van Van den Belt & Moret naar de invloed van levensbeschouwing op de managementpraktijk.17