Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/8.9:8.9 Beoordeling van een opschortingsverweer door de rechter
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/8.9
8.9 Beoordeling van een opschortingsverweer door de rechter
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950385:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Mijn bevindingen hebben mij tevens aanleiding gegeven om op de rechterlijke beoordeling van een beroep op het algemene opschortingsrecht in te gaan, met name ten aanzien van de vraag hoe de beslissing van de rechter luidt of zou kunnen luiden als hij het opschortingsverweer honoreert.
De rechter beoordeelt een opschortingsverweer ex nunc. Ten tijde van de beoordeling van het opschortingsverweer door de rechter zal aan de vereisten voor het algemene opschortingsrecht moeten zijn voldaan en op dat moment mag de uitoefening van dat recht door de schuldenaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar zijn. Voor zover de rechter van oordeel zou zijn dat geen opschortingsbevoegdheid meer bestaat, behoeft dat niet te betekenen dat voordien ook geen opschortingsbevoegdheid heeft bestaan. De schuldenaar kan opschortingsbevoegd zijn geweest tot bijvoorbeeld het moment waarop zijn wederpartij zijn vordering voldeed.1
Voor zover de rechter een opschortingsverweer geheel of gedeeltelijk honoreert, wijst hij doorgaans het gevorderde geheel of, indien het een deelbare verbintenis betreft, gedeeltelijk af. Het kan de schuldenaar in dat geval ontbreken aan belang bij toewijzing van een eventueel afzonderlijk gevorderde verklaring voor recht dat hij opschortingsbevoegd is, omdat zijn opschortingsbevoegdheid in de honorering van het opschortingsverweer en afwijzing van de vordering besloten ligt. Evenwel kan de rechter in dat geval op vordering van de wederpartij voor recht verklaren dat de schuldenaar een verbintenis heeft jegens zijn wederpartij en wat die verbintenis inhoudt. Ook een veroordeling van de schuldenaar tot vergoeding van genoten voordeel door de uitoefening van een opschortingsrecht is op vordering mogelijk.2
Tevens kan de rechter in het geval waarin hij het opschortingsverweer geheel of gedeeltelijk honoreert, op vordering van de wederpartij die daarbij belang heeft, een veroordeling tot stapsgewijze nakoming uitspreken. In dat geval veroordeelt de rechter de schuldenaar tot nakoming van zijn verbintenis onder de tijdsbepaling van het eindigen van de opschortingsbevoegdheid door gelijktijdige voldoening van zijn vordering of zekerheidsstelling voor die voldoening door zijn wederpartij. In die gevallen past een dergelijke veroordeling tot nakoming onder tijdsbepaling mijns inziens ook beter bij de grondslag en strekking van het algemene opschortingsrecht, alsook de bedoeling van het opschortingsverweer, omdat de essentie is dat de vordering en verbintenis gelijktijdig, in hetzelfde moment, behoren te worden nagekomen en dat ook is wat de schuldenaar met zijn opschortingsverweer nastreeft. De schuldenaar is er in beginsel niet op uit dat het van hem gevorderde wordt afgewezen. Hij is immers tot nakoming bereid, maar verlangt tevens nakoming van zijn wederpartij.3
Voor zover de rechter een opschortingsverweer niet honoreert, zal hij het gevorderde geheel of gedeeltelijk toewijzen, al naargelang hij het ingeroepen opschortingsrecht gegrond oordeelt. Voorts kan de schuldenaar in dat geval op vordering van zijn wederpartij worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die zijn wederpartij heeft geleden als gevolg van het uitblijven van de prestatie en kan, in geval van verbintenissen uit hoofde van een overeenkomst, gehele of gedeeltelijke ontbinding van die overeenkomst worden uitgesproken. Daarnaast kan de rechter de schuldenaar op vordering van zijn wederpartij gebieden de uitoefening van een opschortingsrecht op te heffen of verbieden een opschortingsrecht uit te oefenen, beide op straffe van een dwangsom.4
Een beslissing waarin de rechter een opschortingsverweer geheel of gedeeltelijk honoreert, kan zowel ten aanzien van het bestaan van de vordering van de schuldenaar op zijn wederpartij en de inhoud van die vordering als ten aanzien van de gerechtvaardigdheid van het opschortingsverweer gezag van gewijsde hebben, als die beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Ditzelfde geldt ten aanzien van het niet bestaan van de vordering van de schuldenaar in een beslissing van de rechter waarin het opschortingsverweer niet is gehonoreerd. Voor zover de rechter een opschortingsverweer honoreert, maar een deel van de vordering of vorderingen die aan het opschortingsverweer ten grondslag is of zijn gelegd, ontzegt, kan de wederpartij niet het gezag van gewijsde van deze ontzegging inroepen, omdat de honorering van het opschortingsverweer niet daarop berust, maar juist berust op het wel aangenomen deel van de vordering of vorderingen.5
Een eventuele veroordeling in de proceskosten in een geval waarin de schuldenaar een opschortingsverweer voert, vindt overeenkomstig het in artikel 237 lid 1 Rv bepaalde plaats.6