Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht
Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.5:2.5 Het verbod in kort geding
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.5
2.5 Het verbod in kort geding
Documentgegevens:
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955522:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Steenbeek, BIE 1996, afl. 8, p. 271.
Brinkhof, BIE 1997, afl. 1, p. 14.
HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659, m.nt. D.W.F. Verkade, IER 1993/35, m.nt. S. De Wit (Vredo/Veenhuis), rov. 3.4.
Pinckaers 2016a, p. 128-129.
Pinckaers 2016a, p. 131.
Den Besten 2007, p. 234-238.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het kort geding is voor het intellectuele-eigendomsrecht van niet te onderschatten betekenis.1 Intellectuele-eigendomsrechten moeten over het algemeen immers snel en effectief worden gehandhaafd, zodat de aan het recht verbonden exclusiviteit behouden blijft.2 Het kort geding is vanwege de relatieve snelheid ervan de aangewezen procedure. Illustratief zijn wat dat betreft de bewoordingen van de Hoge Raad in Vredo/Veenhuis:
Van de omstandigheden van dit geval is vooreerst van belang dat aanlegger Vredo vraagt te worden beschermd tegen octrooi-inbreuk. In dit soort zaken is het belang van de aanlegger bij het verkrijgen van een voorziening in de regel bijzonder klemmend omdat enerzijds het recht waarin hij bescherming vraagt, slechts van beperkte duur is (vooral als men daarbij mede de ‘commerciële duur’ in aanmerking neemt), terwijl anderzijds dat recht doorgaans slechts effectief kan worden beschermd door een snel gegeven verbod van verdere inbreuken (waarbij een rol speelt dat dat de schade van dergelijke inbreuken zich vaak moeilijk laat bepalen).3
Provisioneel verbod. Een voorlopig verbod kan ook worden gevorderd tijdens een aanhangige bodemprocedure. De bodemrechter kan een dergelijk ‘provisioneel verbod’ toewijzen voor de duur van het geding (art. 223 Rv). Deze voorziening moet samenhangen met de vordering ingesteld in de hoofdzaak. Over het provisionele verbod wordt in een tussenuitspraak beslist.4
Hoewel het kort geding normaal gesproken de aangewezen weg vormt voor het instellen van een verbodsvordering, kunnen er redenen bestaan voor de rechthebbende om een provisioneel verbod te vorderen. Een voor de hand liggende reden is dat de bodemprocedure zal worden vertraagd.5 Hierbij speelt een rol dat een provisionele voorziening vaak goedkoper is dan het aanhangig maken van een afzonderlijk kort geding.6 Een ander argument om een bodemprocedure te starten kan zijn dat een voorlopig verbod ingevolge art. 1019i Rv vervalt wanneer de eiser niet binnen een redelijke termijn een bodemprocedure instelt. Aan de keuze voor een provisioneel verbod kan ten slotte een proceseconomische reden ten grondslag liggen; de rechter oordeelt immers steeds over hetzelfde feitencomplex.7
2.5.1 Spoedeisend belang2.5.2 Geschiktheid voor kort geding2.5.3 Belangenafweging