Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.5.3
2.5.3 Belangenafweging
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955428:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1919, NJ 1996/509, m.nt. D.W.F. Verkade (Procter & Gamble/Kimberly Clark), rov. 3.4. Onder het oude recht werd eveneens aangenomen dat de rechter bevoegd was tot het afwegen van belangen. Deze aanvaarding was gestoeld op een specifieke zinsnede uit Claas/Van Tongeren (‘waarbij aantekening verdient dat het hier niet om een kort geding gaat’).
Brinkhof, BIE 1997, afl. 1, p. 14-16.
Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020, nr. 132.
Zie ook Nuninga, NTBR 2018/21, afl. 5, p. 158-159.
HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1705, NJ 1996/462, m.nt. D.W.F. Verkade, BIE 1995/103 (Boehringer Mannheim/Kirin Amgen); HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666, NJ 2016/211 (Astellas/Synthon).
Nuninga 2022, p. 43; Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020, nr. 131-132.
Anders dan in een bodemprocedure is toewijzing van een verbod in kort geding afhankelijk van een belangenafweging.1 De Hoge Raad heeft deze regel expliciet bevestigd in het arrest Procter & Gamble/Kimberly Clark:
De aard van het kort geding brengt mee dat, zo naar het voorlopig oordeel van de kort geding rechter, de verwerende partij verplicht is bepaalde gedragingen na te laten – bijv. ingeval hij die gedragingen onrechtmatig en dus ontoelaatbaar acht, terwijl die gedragingen of soortgelijke gedragingen dreigen te worden voortgezet –, toewijzing van een te dier zake gevorderd verbod afhankelijk is van een belangenafweging waarbij onder meer enerzijds het voorlopig karakter van het rechterlijk oordeel in kort geding en de ingrijpendheid van de gevolgen van een eventueel verbod voor de verweerder in aanmerking dienen te worden genomen en anderzijds de omvang van de schade die, mede in verband met de vrees voor herhaling, voor de eiser dreigt, indien een verbod zou uitblijven.2
De achtergrond van de hierboven beschreven discretionaire bevoegdheid is dat in kort geding geen definitief oordeel kan worden gegeven, terwijl een verbod potentieel verstrekkende gevolgen kan hebben voor de gedaagde.3 Dit voorlopige karakter rechtvaardigt dat de belangen van de gedaagde meer gewicht in de schaal leggen dan in een bodemprocedure.4 Dat de rechter de betrokken belangen moet afwegen, betekent echter niet dat hij het materiële recht terzijde kan schuiven.5 De rechter moet zijn oordeel immers afstemmen op de waarschijnlijke uitkomst van het geschil in de bodemprocedure.6 Naarmate over de materiële rechtsverhouding meer zekerheid bestaat, zal het uiteindelijke oordeel van de rechter dus nauwkeuriger moeten aansluiten op de beslissing die hij in een bodemprocedure zou hebben gegeven.7
2.5.3.1 Het voorlopige karakter van het rechterlijk oordeel in kort geding2.5.3.2 De belangen van partijen