Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.2.2
2.2.2 De ontwikkeling van het recht van pandgebruik in het klassieke Romeinse recht
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264560:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Bobbink & Mauer 2019, p. 360-363.
Spruit & Feenstra 1994, p. XXI-XXII.
Zie bijvoorbeeld: D. 20,1,35 (Labeo); D. 20,6,14 (Labeo).
Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 101.
Zie over deze tekst ook Bobbink & Mauer 2019, p. 362.
D. 8,1,16 (Julianus). Ei, qui pignori fundum accepit, non est iniquum utilem petitionem servitutis dari, sicuti ipsius fundi utilis petitio dabitur. idem servari convenit et in eo, ad quem vectigalis fundus pertinet. Vgl. D. 43,25,1,5 (Ulpianus).
Gaius leefde in de periode van keizer Hadrianus tot en met keizer Marcus Aurelius (keizersjaren: 161-180). Vermoedelijk stierf Gaius rond het jaar 180: Van Oven 1948, nr. 14; Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 101.
D. 47,2,55 (Gaius). Vgl. Papadatou 2008, p. 210-212.
Deze uitbraak liep samen met een sterke afname van zilverwinning, wat duidt op economische neergang: McConnell e.a. 2018, p. 5726-5731.
Giardina 2012, p. 757-760. Zie ook Daalder 2018, p. 36.
Zie hierover Daalder 2018, p. 22-29.
Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 101.
C. 4,24,1 (Septimius Severus & Antoninus Caracalla). Zie ook Papadatou 2008, p. 211; Bobbink & Mauer 2019, p. 211.
Deze verklaring is mede ingegeven door het werk van Kaser en Kupiszewski: Kaser 1958, p. 191-192; Kupiszewski 1974, p. 234.
Vanaf de Romeinse verovering van Egypte in de eerste eeuw voor Christus waren Romeinen in Egypte betrokken bij transacties waarbij een recht van pandgebruik tot stand kwam. Dit blijkt uit Egyptische papyrusfragmenten. In het Romeinse bronnenmateriaal komt het recht van pandgebruik echter pas voor in de derde eeuw na Christus.1 Dat we geen oudere teksten over pandgebruik in het Corpus Iuris Civilis tegenkomen, wil nog niet zeggen dat zij niet bestonden. De Digesten zijn grotendeels samengesteld uit teksten die stammen uit de derde eeuw en later.2 De bronnen over het pandrecht zijn vrij schaars3 voor de tijd van Salvius Julianus, de redacteur van het edictum perpetuum die van 117 tot 138 diende onder Hadrianus (keizersjaren: 117-138).4 Het is mogelijk dat bronnen over pandgebruik voor de derde eeuw wel bestonden, maar niet zijn overgeleverd. D. 8,1,16 (Julianus) zou hiervoor een aanwijzing kunnen vormen:5
“Het is niet onbillijk dat aan degene die een perceel grond in pand heeft gekregen, een analoge vordering voor een erfdienstbaarheid wordt verleend, net zo als voor een perceel grond zelf een analoge vordering gegeven zal worden. Men is het erover eens dat men dezelfde gedragslijn moet volgen jegens degene aan wie een cijnsplichtig perceel overheidsgrond toebehoort.”6
Uit de tekst blijkt dat de pandhouder van een stuk grond een actie tot opeising van een erfdienstbaarheid mocht instellen. Dit kan impliceren dat de pandhouder al in de tijd van Julianus bevoegd was om een aan het verpande stuk grond verbonden recht, de erfdienstbaarheid, uit te oefenen. Een andere interpretatie van de tekst kan echter zijn dat de pandhouder enkel een actie kon instellen om de erfdienstbaarheid te behouden, en daarmee waardevermindering van het perceel te voorkomen. De pandhouder was dan niet bevoegd zelf de erfdienstbaarheid uit te oefenen, maar mocht wel met een actie voorkomen dat zij zou vervallen.
Het een en ander neemt niet weg dat in het Corpus Iuris Civilis geen teksten ouder dan de derde eeuw na Christus te vinden zijn die ondubbelzinnig over pandgebruik gaan. Het is bovendien aannemelijk dat de tweede-eeuwse jurist Gaius7 niet bekend was met pandgebruik. Hij schreef stellig dat gebruik van het onderpand diefstal, furtum usus, opleverde.8 Het lijkt er dus op dat het recht van pandgebruik pas na Gaius, in de derde eeuw, een rol van betekenis ging spelen in het Romeinse recht.
In de tweede helft van de tweede eeuw vonden twee ontwikkelingen plaats die leidden tot een financiële crisis in het Romeinse rijk. In 164 brak de Pest van Antoninus uit (vermoedelijk de pokken) uit in het oosten, en verspreidde zich naar het hart van het keizerrijk. Deze ziekte maakte bijzonder veel dodelijke slachtoffers.9 Daarnaast voerde Rome op twee fronten oorlog: aan de Donau en aan de oostelijke grens. Deze oorlogen maakten verhoging van overheidsuitgaven en belastingen noodzakelijk. De massale sterfte aan de pokken zorgde ervoor dat het aantal belastingbetalers aanzienlijk afnam. Het uiteindelijke resultaat was een abrupte stijging van de prijzen en een snelle devaluatie van de denarius. Deze ontwikkeling bereikte een dieptepunt in de tijd van keizers Septimius Severus (keizersjaren: 193-211) en Antoninus Caracalla (keizersjaren: 198-217).10 Toen woedden verschillende burgeroorlogen in het Romeinse rijk.11 Juist vanaf de regeerperiode van deze keizers waren er veel bronnen die het recht van pandgebruik behandelden. De juristen Paulus, Papinianus en Ulpianus12 dienden onder Septimius Severus en Antoninus Caracalla. Van hun hand kwamen de oudste (en de meeste) Digestenteksten die over pandgebruik gingen. De oudste Codextekst over pandgebruik was afkomstig van Septimius Severus en Antoninus Caracalla.13 Antoninus Caracalla en Alexander Severus (keizersjaren: 222-235) vaardigden de meeste rescripten over pandgebruik uit die in de Codex Justinianus zijn opgenomen. Het lijkt er dan ook op dat het ontstaan van het recht van pandgebruik parallel liep met de economische neergang in het Romeinse rijk. Beide ontwikkelingen vonden plaats tussen de tijd van Gaius en de tijd van Paulus, Ulpianus en Papinianus. Mijn verklaring hiervoor, is dat de behoefte aan het recht van pandgebruik ontstond door de economische crisis in het Romeinse rijk. Deze verklaring werk ik uit in §2.5.5.14