Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.8.8.2:4.8.8.2 De oorspronkelijke eigenaar wordt (weer) eigenaar: “het recht van verwerving”
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.8.8.2
4.8.8.2 De oorspronkelijke eigenaar wordt (weer) eigenaar: “het recht van verwerving”
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644981:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Spath (2010), p. 183.
Wichers (2002), p. 274, voetnoot 12.
Stelling 7 van E.F. Verheul bij zijn proefschrift “Eigendomsvoorbehoud” luidt: “Uitoefening van een wegneemrecht leidt tot eigendomsverkrijging door degene die vóór bevestiging van de zaak eigenaar was.”
Zie Hoofdstuk 3, §3.6.8.
Het adagium luidt ten volle “nemo plus iuris ad alium transferre potest quam ipse habet”: niemand kan meer rechten overdragen dan hijzelf heeft.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als de oorspronkelijke eigenaar de eigendom verkrijgt van het afgescheiden bestanddeel, dan sluit dit volgens Spath “het beste aan bij het rechtsgevoel”.1 Dit rechtsgevolg sluit ook aan bij de gedachte achter het afscheidingsrecht: het tenietdoen van de ongerechtvaardigde verrijking én de ongerechtvaardigde verarming.
“Daarom moet in het algemeen worden aangenomen dat door uitoefening van het wegneemrecht de eigendom wordt verkregen door de oorspronkelijke gerechtigde van de zaak. Vgl. in het systeem van de wet ook art. 7:39 BW dat met zich meebrengt dat door uitoefening van het recht van reclame het recht terugkeert naar de oorspronkelijke gerechtigde.”2
Dit resultaat zou hetzelfde zijn naar Romeins recht, waar immers de revindicatie van de oorspronkelijke eigenaar herleefde. Ofschoon het Nederlandse recht onbekend is met slapende eigendomsrechten, betekent dit niet automatisch dat het resultaat van de afscheiding niet hetzelfde kan zijn als dat bij slapende eigendomsrechten. Anders dan naar Romeins recht, waar de oorspronkelijke gerechtigde een actio ad exhibendum heeft, ontbreekt een dergelijke actie naar Nederlands recht. De wet stelt duidelijk dat degene die de zaak heeft toegevoegd, gerechtigd is tot wegname. Gaat de eigendom dan toch naar de wegneemgerechtigde? Ik zou zeggen van niet.3 Aan de oorspronkelijke eigenaar komt het eigendomsrecht, aangezien hij degene is die verarmd is. Hij verkrijgt het eigendomsrecht op basis van het “recht van verwerving”.4
Dit “verwervingsrecht” heeft hij op basis van zijn oude eigendomsrecht. Hoewel dat eigendomsrecht door natrekking definitief teniet is gegaan, is het bij de afscheidingsrechten nog steeds van belang. De oorspronkelijke eigendom bepaalt immers de reikwijdte van het afscheidingsrecht. Het rechtsgevolg is dat de oorspronkelijke eigenaar na de afscheiding van rechtswege wederom eigenaar wordt van de afgescheiden zaak. De wegneemgerechtigde verkrijgt de positie die hij had vóór de verbinding. Als hij bezitter was, dan verkrijgt hij weer het bezit. Als hij eigenaar onder opschortende voorwaarde was, dan is hij dit na de afscheiding opnieuw. Was hij pandhouder, dan wordt hij pandhouder, etc.
Dit resultaat sluit aan bij de continuïteitsgedachte van het zakenrecht. Voorkomen wordt dat eigendomsrechten (onnodig) worden beëindigd en bovendien wordt voorkomen dat een wegneemgerechtigde wordt beloond voor het feit dat hij zaken die aan anderen toebehoren met elkaar verbindt en vervolgens afscheidt. Voor afscheiding geldt de hoofdregel dat niemand méér rechten kan verkrijgen op basis van een afscheidingsrecht dan hij vóór de verbinding had. Eenzelfde regel ligt ten grondslag aan de overdracht waarop het aloude “nemo plus”-adagium van toepassing is.5 Van deze regel kan slechts worden afgeweken als de wet hiertoe aanleiding geeft. Zo verkrijgt een vruchtgebruiker en niet de eigenaar van de boomgaard de eigendom van de appels, omdat de wet deze mogelijkheid biedt. Heeft iemand anders dan de vruchtgebruiker de appel van de bomen verwijderd, dan nog verkrijgt niet híj, maar de vruchtgebruiker de eigendom. In het geval van de wegneemgerechtigde is dit niet anders: hij verkrijgt de eigendom van de afgescheiden zaak mits hij vóór de verbinding daarvan de eigenaar was. Indien iemand anders eigenaar was, dan verkrijgt laatstgenoemde de eigendom ondanks dat de wegneemgerechtigde de zaken heeft (laten) af(ge)scheiden. De wegneemgerechtigde is zo bezien slechts een instrument ten aanzien van het eigendomsrecht dat op de afgescheiden zaak rust. Hij is echter wel de gerechtigde tot wegneming, omdat hij belang bij de afscheiding kan hebben. Zo kan hij verjaringsbezitter of eigenaar van de zaak onder opschortende voorwaarde worden.
Het ius tollendi met daarin verwerkt het “recht van verwerving” doet denken aan het Duitse Wegnahmerecht waarin het Aneignungsrecht is verdisconteerd. Het “recht van verwerving” onderscheidt zich echter van het Aneignungsrecht doordat de eigendom niet via bezitsverkrijging (Eigenbesitz) geschiedt, maar van rechtswege na de afscheiding. Het “recht van verwerving” fungeert in wezen als een wasstraat: het “wast” het afgescheiden bestanddeel af, zodat de goederenrechtelijke rechten van de hoofdzaak niet daarop komen te rusten. Het eigendomsrecht dat vervolgens op de “gewassen” zaak komt te rusten is nieuw, maar heeft dezelfde kenmerken als het oorspronkelijke eigendomsrecht van vóór de verbinding. Zo wordt metterdaad het doel bereikt dat met een ius tollendi beoogd is, namelijk het terugdraaien van de ongerechtvaardigde verrijking. Bovendien wordt aan de continuïteitsgedachte van zakelijke rechten recht gedaan. Indien afscheiding niet mogelijk is, omdat bijvoorbeeld de hoofdzaak (te veel) wordt beschadigd of omdat de wegneemgerechtigde geen afscheiding kan vorderen, dan bestaat voor de oorspronkelijke eigenaar altijd nog de mogelijkheid om via het verbintenissenrecht compensatie te verkrijgen.