Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/5.6
5.6 De buiten- en binnengrens van het geding, fuikwerking en een behoorlijke procesorde
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
PG Awb II, p. 464.
Ik wijs hier op het verbod van trapsgewijze besluitvorming in bezwaar (CRvB 24 augustus 2005, RSV2005/357 en CBb 8 oktober 1997, AB 1998/134) en de verboden splitsing van de besluitvorming op de ontvankelijke bezwaarschriften van verschillende belanghebbenden tegen één besluit (ABRvS 11 februari 2002, JB 2002/93). Ook kan de heroverweging of rechtelijke toetsing zich ten onrechte beperkt hebben tot één van de besluiten of besluitonderdelen (ABRvS 29 juni 2005, AB 2005/365 en CRvB 25 februari 2003, JB 2003/115).
CBb 1 november 2005, JOR 2005/304.
PG Awb II, p. 463 en Widdershoven, Stroink e.a., Algemeen bestuursrecht 2001: hoger beroep (Den Haag, 2001), p. 80.
Bijvoorbeeld CRvB 28 augustus 2003, LJN AL1646.
Bijvoorbeeld CRvB 27 februari 2002, RSV 2002/153.
Bijvoorbeeld CRvB 16 april 1998, TAR 1998/116 en CBb 30 januari 2007, JOR 2007/72 (Borderline).
Bijvoorbeeld ABRvS 25 januari 2001, AB 2001/171.
ABRvS 9 mei 1995, AB 1995/529 (Medemblik).
Zie voor een beschrijving van (en kritiek op) de parlementaire geschiedenis van het nieuwe art. 6:13 Awb Schreuder-Vlasblom, 'Het gewijzigde artikel 6:13 Awb, een trechter tussen bestuur en rechter', J73phis-Verklaard 2006; de noot van Timmermans bij ABRvS 1 november 2006, J73 2007/6 en Van de Griend, Trechters in het bestuursprocesrecht (2007), p. 165-183.
Kamerstukken II 2004/05, 29 421, nr. 11, p. 3.
ABRvS 1 maart 2006, JM 2006/47; 15 maart 2006, LJN AV 5050 en 26 juli 2006, JM 2006/108. In het verlengde hiervan oordeelde de Afdeling in ABRvS 9 december 2009, JB 2010/29 dat zowel een vrijstellingsbesluit als een bouwvergunning ieder een onsplitsbaar besluit behelzen.
ABRvS 11 november 2005, AB 2006/162; 8 maart 2006, .7M 2006/55; 1 november 2006, JB 2007/6; 24 januari 2007, LJN AZ6878; 4 april 2007, LJN BA2230; 18 april 2007, AB 2007/173 en 10 december 2008, JB 2008/37. Indien beroepsgronden geen betrekking hebben op een besluitonderdeel dan kunnen die gronden ook eerst in beroep worden aangevoerd, aldus ABRvS 16 mei 2007, AB 2007/277 en 6 juni 2007, AB 2007/276.
ABRvS 15 december 2004, AB 2005/431 en 2 mei 2007, ABkort 2007/258. Verder kunnen ook eerst op de hoorzitting in bezwaar nieuwe gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op nog niet eerder aangevochten besluitonderdelen, zo lijkt althans te volgen uit ABRvS 7 mei 2008, AB 2009/4. Zie voorts Schreuder-Vlasblom, 'Het gewijzigde artikel 6:13 Awb, een trechter tussen bestuur en rechter', JRphis-Verklaard 2006, p. 11.
ABRvS 21 juni 2006, AB 2006/339; 5 juli 2006, LJN AY0358; 12 juli 2006, AB 2006/338 en 19 juli 2006, LJN AY4236.
Widdershoven, Stroink e.a., Algemeen bestuursrecht 2001: hoger beroep (2001), p. 21-22.
CRvB 25 juli 2007, AB 2007/360. In gelijke zin oordeelde de CRvB inzake bijzondere bijstand (CRvB 21 augustus 2008, RSV2008/319) en inzake drie deelbesluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand over drie te onderscheiden perioden (CRvB 10 maart 2009, RSV2009/125). In die laatste zaak gaat het eigenlijk om zes deelbesluiten omdat intrekking en terugvordering van elkaar zijn te onderscheiden.
CRvB 28 november 2007, JB 2008/17.
CRvB 17 april 2007, RSV 2007/212.
CRvB 22 oktober 2008, JB 2009/43.
CRvB 23 januari 2008, L1NBC2880 en 13 mei 2008, JB 2008/150. Zie voorts de noot van Timmermans bij de laatstgenoemde uitspraak. In het kader van de Wet werk in inkomen naar arbeidsvermogen geldt hetzelfde. Zie CRvB 30 september 2009, USZ 2009/320 en 322.
Widdershoven, Stroink e.a., Algemeen bestuursrecht 2001: hoger beroep (2001), p. 113-116. Zie meer recent CRvB 9 juni 2005, JB 2005/261; 1 november 2005, USZ 2006/22; 6 maart 2007, RSV 2007/150 en 15 maart 2007, RSV 2007/151. Voor het kunnen aanvoeren van nieuwe gronden in hoger beroep geldt wel de eis dat de betrokkene zelf hoger beroep heeft ingesteld. Zie CRvB 22 oktober 2008, JB 2009/43.
CBb 20 maart 2007, AB 2007/342; 31 juli 2007, JOR 2007/273 en 2 juni 2009, AB 2009/340.
CBb 1 april 2004, AB 2004/450.
Bijvoorbeeld CRvB 24 augustus 2005, LJN AU3090.
Indien de aanvrager om een vergunning of vrijstelling daarvan enkel gronden aanvoert inzake het toepassingsbereik van de wet en nalaat een negatief betrouwbaarheidsoordeel van het bestuursorgaan aan te vechten, dan zal de rechtbank ervan uit kunnen gaan dat niet aan alle vergunning- of vrijstellingvoorwaarden is voldaan. Zie bijvoorbeeld CBb 20 mei 2009, JOR 2009/230, par. 5.2.
Widdershoven, 'De invloed van het EG-recht en het EVRM op de Nederlandse bestuursrechtspraak', JBp/us-Verklaard 2006, p. 31. In een zaak waarin wel duidelijk sprake was van verschillende besluiten (ontslag en ontslaguitkering) nam de CRvB overigens wel samenhang aan, zodat eerst in het aanvullende beroepschrift alsnog de uitkering ter discussie kon worden gesteld. Zie CRvB 8 januari 2009, LTN BH0782.
Van de Griend, Trechters in het bestuursprocesrecht (2007), p. 18-23.
Willemsen, De grenzen van de rechtsstrijd in het bestuursrechtelijk beroep en hoger beroep in rechtsvergelijkend perspectief (Deventer, 2005), p. 81.
CRvB 14 december 2010, RSV 2011/62.
Dit is een kwestie van terminologie. Zie ABRvS 10 juli 2008, AB 2008/270.
1-1R van 23 januari 2003, AB 2003/139.
ABRvS 12 juli 2006, JB 2006/253 (subsidieposten) en CRvB 7 december 2007, JB 2008/32 (maat-maninkomen).
ABRvS 13 juni 2001, AB 2001/338; CRvB 11 januari 2011, RSV 2011/82 en CBb 15 juli 2005, AB 2005/423.
CBb 1 april 2004, AB 2004/450.
ABRvS 11 december 1998, JB 1999/15.
Bijvoorbeeld ABRvS 14 maart 2005, JV 2005/247 en 4 juli 2005, JB 2005/254. Anders: ABRvS 16 juli 2008, JB 2008/190 en 3 februari 2010, ABkort 2010/61.
Zie ABRvS 9 december 2009, JB 2010/29; CRvB 17 juni 2003, 00/6139 NABW (ongepubliceerd) en CBb 10 december 2004, JB 2005/54. Anders: ABRvS 4 januari 2006, L1N AU9044. De Hoge Raad hanteert eveneens de regel dat een ingetrokken grief in beginsel niet wederom in hogere instantie mag worden opgevoerd, maar spreekt in dit verband niet van een behoorlijke procesorde. Zie HR 17 maart 2006, BNB 2006/250 en 14 augustus 2009, BNB 2010/19.
Zie ook Daalder en Schreuder-Vlasblom, 'Balanceren boven nul. De vaststelling van de feiten in het bestuursprocesrecht', NTB 2000/7, p. 220; De Waard, 'De goede procesorde', JBplus 2001/4 en Widdershoven, Stroink e.a., Algemeen bestuursrecht 2001: hoger beroep (2001), p. 141-143.
Bijvoorbeeld CRvB 18 februari 2004, JB 2004/163 en 18 maart 2008, JWWB 2008/122.
CRvB 5 december 2001, LJN AD8577; 15 februari 2005, IJN AS8218 en 25 september 2007, JB 2007/214.
Zie in dit verband de uitgebreide bespreking van de benadering van Daalder en Schreuder-Vlasblom door Van de Griend, Trechters in het bestuursprocesrecht (2007), p. 59-77.
ABRvS 27 maart 2001, AB 2001/258; 3 september 2003, AB 2003/389 en 18 augustus 2004, AB 2004/435.
Van de Griend, Trechters in het bestuursprocesrecht (2007), p. 108-124.
ABRvS 17 november 2004, AB 2005/2; 22 november 2005, AB 2006/14 en 18 april 2007, LJN BA4307. Zie voorts ABRvS 2 april 2008, JB 2008/113, waarin de betrokkene werd verweten dat hij niet uiterlijk in eerste aanleg bij de rechtbank aan de orde had gesteld dat hij de verbalisanten die het proces-verbaal hadden opgemaakt had willen bevragen.
ABRvS 19 augustus 1999, AB 1999/403 (bewaarprei).
ABRvS 15 februari 2001, AB 2001/409; 2 april 2001, NA 2001/138; 23 juli 2003, AB 2003/448; CRvB 19 mei 2005, JWWB 2005/299; 15 december 2005, LJN AU8835; 16 januari 2007, JB 20007/61; CBb 15 mei 1995, KG 1995/251 en 1 december 2005, JB 2006/47. Zie ook Allewijn, `Centrale Raad en Afdeling: materiële geschilbeslechting als bindend element', NTB 2004/42, p. 282283.
BR 10 april 2009, BNB 2009/167; ABRvS 3 april 2002, JB 2002/144; CRvB 7 november 2002, TAR 2003/74 en CBb 22 mei 1996, AB 1996/369. Anders: CBb 21 mei 2002, JB 2002/215.
Zie ook Koenraad, 'Deskundig rechtspreken: beschouwingen over de plaats van deskundigen in het bestuursprocesrecht', JBplus 2007/4, p. 205.
Vooropgesteld moet worden dat art. 8:69 lid 1 Awb niet los kan worden gezien van het onderwerp en de buitengrens van de rechtsstrijd: het bestreden besluit, dat gelet op art. 8:1 lid 1 in verbinding met art. 7:1 lid 2 Awb, meestal de beslissing op bezwaar behelst. Waar in een objectief stelsel de binnengrens van de toetsing gewoonlijk samen zal vallen met de buitengrens — er is beroep tegen een besluit ingesteld en de rechter toetst vervolgens dat besluit in zijn geheel op rechtmatigheid —, is met art. 8:69 lid 1 Awb gekozen voor een subjectief stelsel, zij het in een gematigde vorm. Met gematigde vorm doel ik niet slechts op de relativering van het verbod van reformatio in peius waar het gaat om derdebelangen, gebonden bevoegdheden en bepalingen van openbare orde,1 maar tevens op het object van de procedure, het bestreden besluit en de ontkoppeling van de toegang — het hebben van rechtstreeks belang — met de gronden die tegen het besluit kunnen worden aangevoerd. Het besluit als buitengrens is overigens niet absoluut. Zo kan zowel het primaire besluit als de heroverweging ingevolge art. 7:11 Awb te beperkt zijn geweest.2 Gelet op art. 8:69 lid 1, in verbinding met de art. 8:1 lid 1 en 7:1 lid 2 Awb, vormt de beslissing op bezwaar, althans hetgeen voorwerp zou moeten zijn van de beslissing op bezwaar, de buitenrand van het geschil in beroep.
Illustratief is de volgende overweging van het College van Beroep voor het bedrijfsleven: `Het primaire besluit refereert enerzijds aan meergenoemde aanvraag en anderzijds aan het product Index beleggingsrekening. Iedere verwijzing naar soortgelijke producten of naar de Successierekening en Beurs Index Polis ontbreekt. In verband hiermede kan niet worden staande gehouden dat het primaire besluit op meer of andere producten betrekking heeft dan de Index beleggingsrekening, omdat ieder aanknopingspunt daarvoor ontbreekt. Appellante heeft vervolgens uitsluitend bezwaren geformuleerd tegen de beslissing van AFM aangaande deze rekening. In het bestreden besluit heeft AFM zijn primaire beslissing ter zake van deze rekening gehandhaafd. De overige drie rekeningen hebben dan ook geen deel uitgemaakt van de grondslag van de beslissing op bezwaar. Derhalve moet, gelet op artikel 7:11, eerste lid, Awb, dat bepaalt dat de heroverweging plaats vindt op grondslag van het bezwaar, worden geoordeeld dat de grief dat AFM ten onrechte heeft nagelaten te beslissen op de door appellante gestelde verzoeken om ontheffing ten aanzien van de hiervoor genoemde drie rekeningen, geen doel treft.’3
De binnengrens vormt hetgeen is aangevoerd tegen het besluit; de gronden van het beroep (art. 6:5 lid 1, onderdeel d, Awb). Uit het beroepschrift of aanvullende beroep-schrift zal in beginsel moeten blijken welk besluit of welke besluitonderdelen de aanlegger vernietigd wil hebben. Dit kan worden geduid als de vordering.4 De aanvraag kan in bezwaar niet worden uitgebreid en in het beroep kan niet buiten de omvang van de heroverweging, althans hetgeen voorwerp van de heroverweging had moeten zijn, worden getreden. Het beroep kan aldus niet leiden tot de toetsing door de rechter van besluitonderdelen die geen voorwerp van het bezwaar waren.5 De in beroep niet aangevochten besluitonderdelen vallen evenzeer buiten de omvang van het geschi1.6 Evenmin kan in hoger beroep de omvang van het geschil worden uitgebreid.7 De binnengrens kan dus in beginsel per instantie wel worden vernauwd, maar — behoudens hierna te bespreken nuanceringen — niet worden uitgebreid. Besluit-onderdelen die niet zijn aangevochten worden immers onherroepelijk. Deze vernauwing wordt wel de onderdelenfuik genoemd. Van deze onderdelenfuik moet scherp worden onderscheiden de argumentatieve fuik. De argumentatieve of grondenfuik als tegengesteld aan de onderdelenfuik betekent dat de aanlegger in een opvolgende instantie geen nieuwe gronden of argumenten naar voren mag brengen die niet reeds zijn ingebracht.8
Met de aanpassing van art. 6:13 Awb per 1 juli 2005 in het kader van de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure heeft de wetgever beoogd de onderdelenfuik te codificeren en tegelijk de met de zogenoemde Medemblik-jurisprudentie9 ingezette argumentatieve fuik bij het vuilnis te zetten. De wijziging ziet tekstueel slechts op het afsluiten van de mogelijkheid van beroep voor de belanghebbende die verwijtbaar geen verplichte voorafgaande zienswijze heeft ingediend, welke beperking in die bepaling reeds was neergelegd voor wat betreft het verwijtbaar niet maken van bezwaar of instellen van administratief beroep.10 De Minister van Justitie merkte in zijn brief van 29 oktober 2004 aan de Tweede kamer over deze bepaling onder meer op:
`Resumerend betekent dit dat voor besluiten waarbij de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt toegepast, de wijziging van artikel 6:13 dus slechts gedeeltelijk een codificatie van de Medemblik-jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak beoogt. Slechts gedeeltelijk, omdat die jurisprudentie ook de mogelijkheid beperkte om in de rechterlijke fase nieuwe argumenten of nieuw bewijs aan te voeren tegen onderdelen die in de bestuurlijke fase wél zijn bestreden. In zoverre is met het nieuwe artikel 6:13 dus een versoepeling beoogd van de Medemblik-jurisprudentie. Tegen besluiten waarbij de uniforme openbare voorbereidingsprocedure niet wordt toegepast, staat als regel bezwaar open (art.7:1 Awb). Ook in deze gevallen past de rechter als gezegd, afhankelijk van de aard van het besluit, thans soms een "argumentatieve fuik" of "bewijsfuik" toe. Ook voor deze gevallen is het de bedoeling van het nieuwe artikel 6:13, dat deze "fuiken" slechts kunnen worden toegepast, voorzover de voor het eerst bij de rechter aangevoerde argumenten of bewijsmiddelen betrekking hebben op een onderdeel van het besluit dat in de bestuurlijke fase in het geheel niet aan de orde is gesteld. Er is dus, nogmaals, op dit punt materieel geen verschil tussen gevallen waarin de openbare voorbereidingsprocedure is toegepast en gevallen waarin dit niet is geschied. Zo'n verschil is ook niet wenselijk, reeds omdat, zoals tijdens het debat ook werd opgemerkt, er besluiten zijn die soms wel en soms niet openbaar worden voorbereid.'11
Hetgeen de wetgever met het gewijzigde art. 6:13 Awb voor ogen heeft gestaan is de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet ontgaan. Waar het gaat om beroep in eerste (alsook enige) aanleg heeft de Afdeling inmiddels de strengere argumentatieve fuik ingeruild voor de ruimhartiger onderdelenfuik. Deze onderdelenfuik pakte overigens per deelgebied aanvankelijk wel verschillend uit. Bij bestemmingsplanprocedures kon wel eerst in beroep over luchtkwaliteit worden gegriefd, zolang de planonderdelen die daar mede op betrekking hebben maar in de bestuurlijke voorrondes zijn bestreden.12 In milieuzaken lag dat anders. Een milieuvergunning werd na invoering van het gewijzigde art. 6:13 Awb door de Afdeling opgesplitst in onderdelen die zagen op verschillende categorieën milieugevolgen, zoals geleidemissie en geuremissie.13 De invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gaf voor de Afdeling aanleiding de balans nog eens op te maken ter zake van de invulling van besluitonderdelen. In een zaak waarin de aanlegger een ontvankelijke grond had ter zake van geurhinder, nam de Afdeling de gelegenheid te baat vast vooruit te lopen op de Wabo en overwoog zij:
`Onder het recht dat voor de invoering van de Wabo gold, moest het bevoegd gezag ook bij beslissingen over een vrijstelling met het oog op de verlening van een bouwvergunning onder omstandigheden de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen voor het woon- en leefklimaat beoordelen. De rechtspraak vatte die beoordelingen voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb niet als besluitonderdelen op. Tekst noch geschiedenis van de Wabo geeft aanleiding die lijn te wijzigen. Dit betekent dat, als met betrekking tot een omgevingsvergunning — als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met c, van de Wabo — voor het bouwen in strijd met een bestemmingsplan eerst in beroep gronden over bijvoorbeeld geluid worden aangevoerd, er ook onder de Wabo geen aanleiding is het beroep ter zake van die toestemming in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.’14
Ook buiten de uniforme openbare voorbereidingsprocedure heeft een versoepeling plaats door in eerste aanleg af te zien van een grondenfuik.15 Dit laatste hangt ook samen met de gedachte dat in bezwaar een volledige heroverweging door het bestuur dient plaats te hebben.16 In hoger beroep hanteert de Afdeling overigens nog wel een argumentatieve fuik. Zo heeft zij in een reeks uitspraken beslist dat niet eerst in appel een beroep kan worden gedaan op Unie- of verdragsrecht indien de rechter in eerste aanleg op grond van het beperkt aangevoerde feitencomplex niet gehouden was de rechtsgronden aan te vullen door zelf aan die normen te toetsen.17 Deze benadering past bij het in hoger beroep centraal stellen van de controle- en rechtseenheidfunctie.18
De Centrale Raad van Beroep heeft eveneens de met art. 6:13 Awb beoogde onderdelenfuik omarmd. Zo splitste hij met een beroep op de wetsgeschiedenis van het huidige art. 6:13 Awb, een besluit inzake een gehandicaptenvervoersvoorziening op in onderdelen. De beslissing inzake de verzochte vergoeding ten behoeve van een hoge instap, een automatische versnelling en een aangepaste autostoel leverde volgens de Raad evenzoveel besluitonderdelen op, zodat eenmaal prijsgegeven onderdelen in beroep niet meer konden worden aangevochten.19 Een indicatiebesluit achtte de Raad daarentegen onsplitsbaar vanwege de samenhang van de — mogelijk — te indiceren zorgfuncties.20 Voorts heeft de CRvB met een beroep op art. 8:69 Awb een belangrijke beperking aangebracht op het aanvullen van rechtsgronden in schattingszaken door een splitsing aan te brengen in het medisch en arbeidskundig deel van de besluitvorming.21 De Raad hing hier de aanvulling van rechtsgronden op aan de beroepsgronden waarbij dan binnen zogenoemde besliscomponenten die door de gronden worden bestreken de rechtsgronden worden aangevuld. Meer recent heeft de Raad geoordeeld dat het hier niet gaat om aanvulling van rechtsgronden maar om het ruim opvatten van de beroepsgronden, zodat deze rechterlijke activiteit binnen art. 8:69 lid 1 Awb plaatsheeft.22 Waar in redelijkheid gesteld kan worden dat de ambtshalve activiteiten van de rechter waar verschillende besliscomponenten spelen zeker niet onbegrensd hoeven te zijn en de aangevoerde beroepsgronden in beginsel richtinggevend kunnen zijn, moet niet te snel het verbod van ultra petita gaan van stal worden gehaald. Het verbod van ultra petita gaan ziet bovenal op het verbod een niet aangevochten besluitonderdeel mee te nemen en ziet dus niet zozeer op zogenoemde besliscomponenten. In dit verband is van belang dat een WAO-besluit als hier aan de orde slechts één ondeelbaar rechtsgevolg heeft, namelijk de indeling in een arbeidsongeschiktheidsklasse en het daaraan verbonden recht op uitkering.23 Daarbij moet worden bedacht dat de Centrale Raad van Beroep van oudsher met inachtneming van een behoorlijke procesorde in beginsel nieuwe gronden toelaat in zowel eerste aanleg als hoger beroep.24
Ook het College van Beroep voor het bedrijfsleven neemt de onderdelenfuik als uitgangspunt25 en lijkt net als de Centrale Raad de lijn te volgen dat nog in hoger beroep nieuwe gronden aangevoerd kunnen worden.26 Het gevolg hiervan is dat ook, indien niet kan worden geklaagd dat de rechtbank de omvang van het geding in eerste aanleg heeft miskend, niettemin vernietiging van die uitspraak zal volgen indien in hoger beroep alsnog met succes nieuwe gronden worden aangevoerd.27 Deze lijn sluit aan bij het benadrukken van de herkansingsfunctie van het appel. Wel hecht het College er aan dat, waar bij een besluit op aanvraag verschillende besliselementen spelen, in beginsel van de aanvrager mag worden verwacht dat hij ter zake van die besliselementen gronden aanvoert, indien het bestuursorgaan op al deze elementen tot een negatieve beoordeling is gekomen.28 Dit lijkt me alleszins redelijk.
De vraag is nu of de onderdelenfuik enkel ziet op echte besluitonderdelen of op de rechtsoordelen die ten grondslag liggen aan een besluit. Widdershoven omschrijft in dit verband 'onderdeel' als een afsplitsbaar rechtsgevolg ten opzichte van de rechtsgevolgen van het totale besluit (positieve indicatie) en dat niet onlosmakelijk samenhangt met andere elementen van het besluit (negatieve indicatie).29 Ook Van de Griend heeft de voorkeur slechts van besluitonderdeel te spreken, indien sprake is van splitsbaarheid van het rechtsgevolg van het betrokken besluit.30 Volgens Willem-sen is sprake van een ondeelbaar besluit indien de daaraan ten grondslag liggende deelbeslissingen noodzakelijk elkaar opvolgende schakels in de redenering naar het dictum vormen. Zij onderscheidt daarvan parallel geschakelde deelbeslissingen, die elk voor zich wel van invloed zijn op het eindresultaat van het besluit (dictum), maar die geen opvolgende stappen in de redenering vormen.31 Bij dit laatste valt te denken aan verschillende vergunningvoorwaarden, die vormen dan afzonderlijke besluit-onderdelen. Indien in één brief verschillende samenhangende besluiten worden bekendgemaakt wordt ook wel gesproken van besluitonderdelen.32 De invulling van besluit-onderdeel en de toepassing van het zogenoemde samenhang- of verwevenheidcriterium33 heeft ook gevolgen voor de mate waarin het bestuursorgaan in bezwaar en beroep de gronden van het besluit kan aanvullen teneinde hetzelfde rechtsgevolg te bewerkstellingen. Bekend is de interne compensatie in het belastingrecht, waaraan de gedachte ten grondslag ligt dat de aanslag niet kan worden gesplitst in verschillende besluitonderdelen.34 Ook buiten het fiscale recht komt deze interne compensatie voor.35 Indien de onderdelenfuik niet wordt gekoppeld aan zelfstandige rechtsgevolgen, maar aan zogenoemde besliselementen, terwijl voorts het samenhangcriterium niet wordt toegepast, bestaat het gevaar dat de aanlegger die in bezwaar iets roept dat het hele besluit raakt in die zin binnen is dat hij in beroep het hele besluit ter discussie kan stellen, ook door nieuwe gronden aan te voeren, terwijl de aanlegger die gedetailleerd een besliselement er uit licht met de gedachte dat daarmee het hele besluit onderuit zal gaan, bedrogen uit kan komen indien de rechter die slechts op dat 'onderdeel' ingaat juist wel dat besliselement rechtmatig acht. Schieten met hagel kan dus met betrekking tot de omvang van het geding effectiever zijn dan gericht schieten met een scherp patroon. Schreuder-Vlasblom klaagt in dit verband niet ten onrechte dat zij die de moeite nemen specifiek bezwaren te formuleren, de kwaliteit van besluitvorming dienen, maar in rechte vreemd genoeg slechter af zijn.36 Indien daarentegen besluitonderdeel gelijk wordt gesteld aan zelfstandig rechtsgevolg, zal binnen de feitelijke grondslag van het geding veel ruimte bestaan om in een opvolgende instantie nieuwe gronden aan te voeren. Hetzelfde geldt indien onder 'onderdeel' weliswaar het beperktere besliselement wordt begrepen, maar een ruime toepassing wordt gegeven aan het samenhangcriterium. Daar komt — de hierna te bespreken ambtshalve activiteiten van de rechter indachtig — nog bij dat de onderdelenfuik, al dan niet aangevuld met het samenhangcriterium, ruimte biedt voor aanvulling van de rechtsgronden ten aanzien van onderdelen of besliselementen waartegen geen expliciete grond is gericht.
Het loslaten van de argumentatieve of grondenfuik laat onverlet dat de beginselen van een goede of een behoorlijke procesorde er toe kunnen leiden dat nieuwe beroepsgronden — ook in eerste aanleg — buiten boord worden gehouden, omdat die gronden te laat in de procedure zijn aangevoerd. Hoewel de zogenoemde tiendagentermijn (art. 8:58 Awb) niet zonder meer een harde termijn is, wordt uit een oogpunt van een behoorlijke procesorde het eerst ter zitting aanvoeren van nieuwe gronden of argumenten in beginsel niet toegestaan.37 Het verdedigingsbeginsel verzet zich er enerzijds tegen dat de wederpartij, het bestuursorgaan, wordt overvallen met een geheel nieuwe grond of geheel nieuwe onderbouwing van een grond, terwijl het uit een oogpunt van proceseconomie niet doenlijk is om het onderzoek te schorsen en een nieuwe zitting te plannen. In de hiervoor aangehaalde uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven38 bleek dat waar in eerste aanleg een grond wegens strijd met de behoorlijke procesorde terecht buiten beschouwing werd gelaten, in hoger beroep diezelfde grond alsnog, nu wel met inachtneming van de goede procesorde, kon worden aangevoerd. De Afdeling staat de nieuwe grond in appel niet toe.39 De Afdeling wil ook nog wel eens oordelen dat de behoorlijke procesorde zich ertegen verzet dat nieuwe gronden eerst na het aanvullende beroepschrift maar nog voor aanvang van de tien dagentermijn (art. 8:58 Awb) worden ingediend.40 De behoorlijke procesorde ziet niet alleen op het te laat in een instantie inbrengen van nieuwe gronden of de onderbouwing daarvan. Zo wordt ook wel het alsnog aanvoeren van een eerder prijsgegeven grond in strijd geacht met de behoorlijke procesorde.41 De behoorlijke procesorde wordt echter ook buiten deze gevallen gebruikt en is daarmee uitgegroeid tot een verzamelcategorie voor de gevallen waarin een nadere grond niet wordt meegenomen.42 Indien een besluitonderdeel niet is bestreden bij een vorige instantie is het juister om tegen te werpen dat het beroep of appel niet kan worden uitgebreid tot in bezwaar respectievelijk in eerste aanleg niet aangevochten besluitonderdelen. De behoorlijke procesorde ziet wat mij betreft derhalve vooral op het stellen van beperkingen aan de mogelijkheid terug te komen op prijsgegeven stellingen (die beperking geldt dan in beginsel ook voor een volgende instantie) en op het vlak voor de zitting aanvoeren van nieuwe gronden of aanleveren van bewijs (beperking geldt alleen per instantie). Met name het verdedigingsbeginsel kleurt aldus de behoorlijke procesorde in. Ik geef toe dat de grenzen niet altijd makkelijk te trekken zijn.
Het niet toestaan dat door de aanlegger nieuw bewijs wordt ingebracht eerst in beroep of in appel wordt aangeduid als de bewijsfuik. De scheidslijn tussen de bewijsfuik en de argumentatieve of grondenfuik is soms dun. Ik doel hier met gronden of argumenten op het stellen van feitelijkheden die door de aanlegger van belang worden geacht en met bewijs op het aannemelijk maken van (veelal betwiste) feiten. Naar het oordeel van de Centrale Raad van Beroep ligt bij de rechter de toets voor of het bestreden besluit gelet op art. 7: 12 Awb op een deugdelijke motivering berust. Gelet hierop kan in beroep en in hoger beroep de juistheid van de feiten waarop het besluit op bezwaar is gebaseerd worden betwist.43 Voor zover de belanghebbende kan worden verweten dat hij pas bij de rechter met het nodige bewijs komt leidt dit niet tot bewijsuitsluiting, maar tot het achterwege laten van een proceskostenveroordeling en mogelijk tot de afwijzing van een verzoek om schadevergoeding.44 Het uitgangspunt van de Afdeling was van oudsher een ander. Volgens de Afdeling stond in beroep ex tune ten toets of het bestuur in het besluitvormingtraject zorgvuldigheid had betracht, zoals art. 3:2 Awb voorschrijft.45 Gelet op de ex nunc heroverweging konden dan in beginsel wel in bezwaar nog de nodige feitelijke gegevens door de aanlegger worden ingebracht.46 Bewijs dat de aanlegger had moeten aandragen kon dan niet eerst in beroep worden aangeleverd.47 Op de hier weergegeven afwijkende hoofdlijnen van de CRvB en de Afdeling — welke afwijkingen deels zijn terug te voeren op het materiële bestuursrecht (het specialiteitsbeginsel) — zijn wel wat nuanceringen aan te brengen. Zo wordt in de meer recente jurisprudentie van de Afdeling toegelaten dat er in eerste aanleg nog aanvullend bewijs wordt geleverd van hetgeen reeds bij de aanvraag was aangevoerd.48 Van belang is voorts dat op het bestuur ook de plicht rust om in het kader van de bestuurlijke besluitvorming duidelijk aan te geven welke bewijslast de aanvrager heeft en hoe die daar aan kan voldoen. Indien het bestuur in die voorlichting tekort schiet zal eerder toelaatbaar zijn dat de aanlegger eerst in beroep met nieuwe gegevens komt.49 Verder geldt over de hele linie dat de aard van het besluit met zich kan brengen dat door de aanvrager binnen een bepaalde termijn de nodige gegevens moeten zijn verstrekt.50 Voorts geldt ook voor het inbrengen van nieuwe bewijsstukken, deskundigenrapportages en ander bewijsaanbod evenzeer dat de behoorlijke procesorde zich ertegen kan verzetten dat die vlak voor of op de zitting worden ingebracht.51 Ten slotte moet worden bedacht dat de bewijsfuik ook gevolgen heeft voor het ambtshalve aanvullen van de feiten door de rechter. Indien wordt geoordeeld dat de aanlegger tekort is geschoten in zijn stel- en bewijsplicht dan ligt er geen taak voor de rechter om zelf onderzoek te doen naar die feiten of een deskundige in te schakelen.52