Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/5.10
5.10 Jaarrekening en decharge
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631749:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II (2009), nr. 479 e.v.; Bulten en Kreileman (2017), Assink/Slagter (2013), p. 725 e.v. en 1149 e.v.; en Kreileman (2020), nr. VII.6.
HR 10 januari 1997, JOR 1997/29; NJ 1997/360 m.nt. Maeijer, en Rechtspraakbundel (2020), nr. 2 (Staleman/Van de Ven).
Dat orgaan is (behalve bij de stichting) de algemene vergadering. Vgl. Kreileman (2020), nr. VII.6.2 en nr. VII.6.3. Volgens haar dient aan finale kwijting, die bijvoorbeeld wordt verleend aan een bestuurder die (gedwongen) tussentijds vertrekt en onderdeel uitmaakt van een meer omvattende beëindigingsovereenkomst, een rechtsgeldig dechargebesluit van de algemene vergadering ten grondslag te liggen. Gezien het feit dat finale kwijting in de regel van een bredere strekking zal zijn dan decharge, onderschrijf ik haar stelling. Daarbij speelt mee dat het verlenen van decharge of finale kwijting zich niet goed verdraagt met het collegialiteitsbeginsel en de daaraan gekoppelde hoofdelijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid. Daarbij past niet dat individuele leden van het bestuur door de overige leden worden ontslagen van (potentiële) aansprakelijkheid.
Frielink (2017b), nr. 5.2.7.
Van Nuland (2021), nr. 4.2.4.4.3. Hij poneert zijn stelling in het kader van de mogelijke aansprakelijkheid van bestuurders op grond van de art. 2:207, 2:208 en 2:216 BW.
Kwijting of decharge is een ontheffing van aansprakelijkheid van bestuurders voor gevoerd beleid dan wel toezicht als het commissarissen betreft.1 Een decharge heeft uitsluitend interne werking, dus in de verhouding van de bestuurder of commissaris jegens de rechtspersoon. De rechtspersoon die decharge verleent aan een bestuurder doet daarmee afstand van zijn recht van verhaal. Het vaststellen van de jaarrekening strekt op zichzelf niet tot kwijting aan een bestuurder of commissaris.2 Het onderwerp decharge dient derhalve afzonderlijk op de agenda te worden geplaatst. Indien decharge wordt verleend in samenhang met de jaarrekening geldt dat die niet verder strekt dan voor zover de informatie uit de jaarstukken blijkt of anderszins aan de algemene vergadering bekend is.3 Die informatie zal in zijn algemeenheid zodanig moeten zijn dat, indien de bestuurder in rechte aansprakelijk wordt gesteld en hij zich met succes op de decharge wil kunnen beroepen, de dragende feiten die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, bekend waren bij het orgaan4 dat tot de decharge heeft besloten, hetgeen (in de regel) zal moeten blijken uit de aan die vergadering verschafte stukken, uit de notulen van die vergadering of uit (de overwegingen van) het dechargebesluit. Een vordering wegens onbehoorlijk bestuur kan door de curator worden ingesteld tegen een (ex-)bestuurder ondanks aan hem verleende kwijting (art. 2:138/248 lid 6 BW). Dit is logisch aangezien een decharge alleen interne werking heeft.
In Curaçao is bepaald dat een bestuurder geen beroep op kwijting, verleend door de rechtspersoon, toekomt, indien de rechtspersoon failliet is verklaard en de curator een vordering instelt tegen de bestuurder op grond van interne aansprakelijkheid (art. 2:14 lid 5 BWC). Goedkeuring van de jaarrekening door de algemene vergadering strekt de bestuurders tot kwijting ter zake van hun beheer en de commissarissen, als die er zijn, ter zake van het door hen gehouden toezicht. Deze decharge, het kwijtschelden van interne aansprakelijkheid van de bestuurders voor het gevoerde beleid en van de commissarissen voor het toezicht, strekt niet verder dan voor zover de informatie uit de jaarstukken blijkt of in de algemene vergadering is verschaft.5
Volgens Van Nuland biedt een dechargebesluit voor de (mede)beleidsbepaler geen soelaas, omdat het besluit slechts strekt tot kwijting van de formele bestuurders.6 De vraag is of deze opvatting niet te strikt is. Als het dechargebesluit betrekking heeft op bijvoorbeeld een jaarrekening en is gevolgd op in de algemene vergadering besproken feiten en omstandigheden, inclusief het (niet goed) functioneren van de quasi-bestuurder, dan lijkt het mij verdedigbaar dat toch minimaal sprake zou kunnen zijn van reflexwerking. Dit ligt uiteraard anders in het geval dat de quasi-bestuurder impliciet of expliciet van de verleende kwijting is uitgesloten. Het omgekeerde kan uiteraard ook: het expliciet verlenen van decharge aan een quasi-bestuurder.