Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/9.6.1
9.6.1 Inleiding
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258445:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vergeleken met andere belastingen, is het niet gebruikelijk dat een belastingplichtige (in het douanerecht de douaneschuldenaar genoemd) zelfstandig de bevoegdheid heeft om te beslissen welke transactie hij in aanmerking neemt voor het vaststellen van de belastbare grondslag (in het douanerecht de douaneschuld genoemd).
L. Ruessmann & A. Willems, Revisiting the First Sale for Export Rule: An Attempt to Remove Fairness in the Interest of Raising Revenues, Without Improving Legal Certainty, World Customs Journal 3(1), p. 48-49.
Van oudsher worden invoerrechten geheven om de industrie in het land van invoer te beschermen. Het optuigen van een fiscale barrière voor goederen die worden ingevoerd, verhoogt de kostprijs van de ingevoerde goederen, waardoor het eenvoudiger is voor producenten in het land van invoer om de competitie aan te gaan met buitenlandse producenten. Vanuit dat perspectief is het vreemd dat invoerrechten kunnen worden vastgesteld op een belastbare grondslag die verlaagd kan worden door een transactiewaarde van een eerste of eerdere verkoop in aanmerking te nemen.1 Aan de andere kant kan worden betoogd dat wanneer goederen onmiskenbaar bedoeld zijn om te worden uitgevoerd naar het douanegebied van de Europese Unie, het vreemd is dat wanneer de goederen meer dan één keer op volle zee worden verkocht (wat veelvuldig in bijvoorbeeld de olie-industrie plaatsvindt), alleen de laatste verkoop voordat de goederen worden geïntroduceerd in het douanegebied van het land van invoer gebruikt kan worden voor het bepalen van de douanewaarde. Dit is in het bijzonder het geval indien de laatste verkoop plaatsvindt tussen twee in het land van invoer gevestigde entiteiten. In dat geval zal namelijk kunnen worden gesteld dat met het in aanmerking nemen van deze verkoop, in het land van invoer gegeneerde winst in de heffing wordt betrokken. Om die reden speelt de plaats van vestiging in onder andere Canada (onderdeel 9.5.3.3), (tot voorkort) de Europese Unie (onderdeel 9.4.4) en Japan (onderdeel 9.5.4) een rol bij het bepalen welke verkooptransactie de basis vormt voor de vaststelling van de douanewaarde.
In dit onderdeel wordt nader geëvalueerd of het first-sale of last-sale principe passender is. Daartoe wordt nader ingegaan op Commentary 22.1 van de Technische commissie douanewaarde. In onderdeel 9.3 kwam aan bod dat de Technische commissie douanewaarde een duidelijke voorkeur heeft uitgesproken voor het bepalen van de douanewaarde op basis van het last-sale principe. In onderdeel 9.6.2 zijn de argumenten en aannames van de Technische commissie douanewaarde opgenomen, die zij in Commentary 22.1 heeft aangevoerd om te betogen dat alleen een laatste verkoop voor uitvoer aangewend kan worden om de transactiewaarde van de ingevoerde goederen te bepalen. In onderdeel 9.6.3 worden de argumenten en aannames geëvalueerd aan de hand van een bijdrage van Ruessmann en Willems en mijn eigen (aanvullend) commentaar.2 Uit de evaluatie zoals opgenomen in onderdeel 9.6.3 volgt dat de aannames en argumenten van de Technische commissie douanewaarde van de WDO in grote lijnen geen standhouden. De CVA-bepalingen lijken op basis van deze evaluatie ruimte te laten om de transactiewaarde van de ingevoerde goederen bij opeenvolgende verkopen te bepalen op basis van het first-sale als ook het last-sale principe. Mede om die reden ingegeven vindt in onderdeel 9.6 een nadere analyse plaats om te bepalen of het first-sale principedan wel het last-sale principe beter aansluit bij de elementen van het toetsingskader. In onderdeel 9.6.5 wordt aan de hand daarvan een conclusie genomen.