Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/6.3.2.b
6.3.2.b De mogelijkheid tot statutaire afwijking van de uitkoopdrempel
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS597681:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Evenzo Slagter (1997a), p. 150; Rensen (2005), p. 221. Anders Honée (2000), p. 159-160. Honée is van mening dat het dwingend karakter zich ertegen verzet dat de uitkoopregeling in de statuten buiten toepassing wordt verklaard, dan wel dat in de statuten op onderdelen van de wettelijke regeling wordt afgeweken. Maar een statutaire regeling die aanknoopt bij een lager percentage van 95% wordt de wettelijke regeling niet buiten toepassing verklaard en is volgens hem daarom toegestaan.
Volledige uitsluiting van het uitkooprecht is dan ook niet mogelijk, hierover ook Hermans (2002), p. 500.
De uitkoopregeling kent niet de bepaling ‘of zoveel lager als de statuten bepalen’, zoals bij de ontvankelijkheidsdrempels van het enquêterecht in art. 2:346 sub b en c BW wel het geval is.
Aldus expliciet in Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 3, p. 48. Van Veen (2011), p. 9-10, wijst er mijns inziens terecht op dat indien de wet niets bepaalt, dit ook kan betekenen dat aanvullende regelingen toegestaan zijn. Belangrijker is daarom wat de bedoeling van de wetgever is geweest. Zie over ‘dwingend recht’ uitgebreid De Kluiver/Meinema (2002).
Evenzo Norbruis (2003), p. 574.
Rensen (2005), p. 222.
Een interessante vraag is of in de statuten van een vennootschap een ander percentage voor toepassing van de uitkoopregeling kan worden gesteld.
Het antwoord op deze vraag is gegeven op art. 2:25 BW naar mijn mening ontkennend.1 De uitkoopregeling is van dwingend recht.2 Uit de wet volgt niet dat statutaire afwijkingen mogelijk zijn.3 Bovendien blijkt ook uit de bedoeling van de wetgever dat een andere uitkoopdrempel niet is toegestaan.4 Tijdens de parlementaire behandeling van beide uitkoopregelingen benadrukt de wetgever dat een lagere uitkoopdrempel niet in het belang van de minderheidsaandeelhouder is.5
Het opnemen van een hogere drempel in de statuten is volgens mij evenmin mogelijk. De uitkoopregeling is een recht van de meerderheidsaandeelhouder. De statuten kunnen hier niet ten nadele van hem van afwijken. Voor de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW bepaalt art. 15 lid 2 van de dertiende EG-richtlijn bovendien expliciet dat een hoger percentage dan 95 niet toegestaan is.6
Volgens Rensen is een statutaire uitkoopregeling – door middel van een aanbiedingsplicht voor minderheidsaandeelhouders – wel mogelijk voor bijzondere gevallen. Hij stelt dat de wetgever een algemeen geldende uitkoopregeling heeft beoogd en daarom niet voor een lager percentage heeft gekozen. Voor specifieke situaties, zoals de nasleep van een openbaar bod, is een lagere uitkoopdrempel dus wel mogelijk, aldus Rensen.7 Gelet op het belang dat de wetgever toekent aan de positie van de minderheidsaandeelhouder, acht ik een dergelijke statutaire regeling niet mogelijk. Bovendien gaat zijn argumentatie niet langer op na de invoering van de bijzondere uitkoopregeling na een openbaar bod in art. 2:359c BW.