Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/2.3.1
2.3.1 Terminologie
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931153:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie met name Asser/Hartkamp 3-I 2023/21, 21a en 21b.
Deze terminologie is vooral ontwikkeld door Hartkamp, zie onder meer Hartkamp 2011; Hartkamp 2014; Hartkamp 2017, p. 3-10; en Asser/Hartkamp 3-I 2023/12-21. Zie voorts Sieburgh 2015, p. 3-4; Van Leuken 2015/14-18; Verbruggen 2017, p. 59-60; Hartkamp, Sieburgh & Devroe (red.) 2017, p. 3-19; Van de Moosdijk 2018/96 e.v.; en Aronstein 2019/14-32. Zie voor andere terminologie bijvoorbeeld De Mol 2014a, p. 193 e.v.
Zo maken civilisten onderscheid tussen ‘directe horizontale werking’ en ‘indirecte horizontale werking’, zie bijvoorbeeld Asser/Hartkamp 3-I 2023/154-159. In de meer publiekrechtelijke georiënteerde literatuur wordt geregeld gebruikgemaakt van de term ‘horizontale directe werking’ om de toepassing door de rechter van Unierechtelijke normen in een geschil tussen particulieren aan te duiden, zie bijvoorbeeld De Mol 2019, p. 372. De term ‘horizontale directe werking’ (in deze zin) is ruimer dan ‘directe horizontale werking’, omdat het ook de rechtmatigheidstoetsing omvat van nationale wetgeving in een geschil tussen particulieren, die door civilisten wordt gezien als vorm van ‘indirecte horizontale werking’. Met name bij de doorwerking van fundamentele rechten uit het EU-Handvest zorgt dit voor onduidelijkheid, omdat met ‘directe horizontale werking’ en ‘horizontale directe werking’ dus mogelijk iets anders wordt bedoeld.
Craig & De Búrca 2020, p. 225 en 238-240; Lenaerts & Van Nuffel 2023/713; en De Witte 2021, p. 192-205.
Zie par. 2.2.
Zie Hartkamp 2014/11; Sieburgh 2015, p. 7; Van Leuken 2015/15; Hartkamp 2017, p. 3-5; en Asser/Hartkamp 3-I 2023/12. Anders: De Mol 2014a, p. 195-208.
Zie Hartkamp 2014/11-12; Hartkamp 2017, p. 6-10; en Asser/Hartkamp 3-I 2023/17-21. Aangezien de Europeesrechtelijk georiënteerde jurist doorgaans vertrekt vanuit de directe werking van een regel van Unierecht, wordt in de Europeesrechtelijke literatuur doorgaans gesproken van ‘horizontale directe werking’ en ‘verticale directe werking’. Zie over de overeenkomsten en verschillen Hartkamp 2013, p. 193 e.v.; Asser/Hartkamp 3-I 2023/16.
Zie hiervoor, nr. 12.
Zie bijvoorbeeld de in het Nederlandse recht geïmplementeerde regels uit Richtlijn 2014/104/EU inzake schikken door hoofdelijk schuldenaren (art. 6:193o BW) en verjaring (art. 6:193s BW), die op punten afwijken van de algemene regels van het Nederlandse burgerlijk recht (zie art. 6:14 BW resp. art. 3:310 BW). Vgl. voorts Král 2016.
Craig & De Búrca 2020, p. 220-233; Lenaerts & Van Nuffel 2023/716-721; Asser/Hartkamp 3-I 2023/6-7.
Zie hiervoor, nr. 9.
23. Directe verticale werking, directe horizontale werking en indirecte horizontale werking. In de privaatrechtelijke literatuur wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin het Unierecht ‘onmiddellijk’ – direct of rechtstreeks – van invloed is op horizontale rechtsverhoudingen, en gevallen waarin dat indirect of onrechtstreeks het geval is.1 Dat onderscheid is bijvoorbeeld van belang om te bepalen of een particulier zich ook zonder tussenkomst van de rechter zou kunnen beroepen op een Unierechtelijke norm, of dat hij voor de bescherming van door het Unierecht toegekende rechten afhankelijk is van de rechter, bijvoorbeeld omdat hij een Unierechtelijk recht slechts kan effectueren door via de nationale rechter te bewerkstelligen dat nationale wetgeving buiten toepassing wordt gelaten wegens strijd met Unierecht.
Om deze verschillen tussen de verschillende wijzen waarop het Unierecht van invloed kan zijn op horizontale rechtsverhoudingen tot uitdrukking te brengen, wordt in de privaatrechtelijke literatuur doorgaans gebruikgemaakt van een begrippenkader dat op punten verschilt van het ‘publiekrechtelijke’ Unierechtelijke begrippenkader.2 Dat de terminologie op punten verschilt, vind ik ongelukkig, omdat het geregeld zorgt voor vertroebeling van het academisch debat.3 Dit is echter niet de plaats om een nieuw begrippenkader te ontwikkelen, en omdat ik mij richt op horizontale rechtsverhoudingen, maak ik gebruik van het gebruikelijke privaatrechtelijke begrippenkader. Ik maak (dus) onderscheid tussen ‘directe verticale werking’, ‘directe horizontale werking’ en ‘indirecte horizontale werking’.
Directe verticale werking houdt in dat een particulier zich jegens een overheidsorgaan – dus in een verticale rechtsverhouding – kan beroepen op een regel van Unierecht.4 Daarvoor is vereist dat de desbetreffende regel voldoet aan de criteria voor directe werking.5 Daarbij is niet doorslaggevend of het een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtsverhouding betreft, maar of bij de te beoordelen rechtsverhouding een overheid(sorgaan) is betrokken.
Van directe horizontale werking is sprake als een particulier jegens een andere particulier rechtstreeks een beroep kan doen op een regel van Unierecht, met andere woorden: indien het Unierecht een rechtsverhouding tussen particulieren onmiddellijk – zonder tussenkomst van nationaal recht – beïnvloedt (zie hierna, par. 2.3.2).6
Is van directe horizontale werking géén sprake, dan betekent dit niet dat het Unierecht voor een horizontale rechtsverhouding niet van belang kan zijn. Ook op andere – indirecte – wijzen kan het Unierecht een horizontale rechtsverhouding beïnvloeden; er wordt dan wel gesproken van ‘indirecte horizontale werking’ (zie hierna, par. 2.3.3).7
Met name het onderscheid tussen directe en indirecte horizontale werking is voor dit onderzoek van belang. Indien een regel van Unierecht indirect doorwerkt in horizontale rechtsverhoudingen, heeft de Nederlandse wetgever (in geval van implementatie van richtlijnen) of de Nederlands rechter (bijv. in geval van interpretatie van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm) de mogelijkheid om de desbetreffende regel van Unierecht zoveel mogelijk in te passen in het nationale recht. Gaat het om een direct horizontaal werkende bepaling van Unierecht (zoals bepalingen uit verordeningen), dan bestaat die mogelijkheid veel minder. De wijze waarop het Unierecht doorwerkt in horizontale rechtsverhoudingen is van invloed op de wijze waarop die doorwerking de consistentie en coherentie van het voor particulieren geldende recht8 in gevaar kan brengen. Bij direct horizontaal werkend Unierecht is dat gevaar met name gelegen in het gebrek aan afstemming van Unierecht op het nationale Nederlandse recht, terwijl dat gevaar bij niet-direct horizontaal werkend Unierecht vooral ziet op het invoeren van ‘ad hoc’-wetgeving, die moet worden ingepast in het systeem van het Burgerlijk Wetboek.9
24. Verschillende rechtsbronnen; primair en secundair Unierecht. Binnen het Unierecht wordt onderscheid gemaakt tussen ‘primair’ en ‘secundair’ Unierecht. Tot het primaire Unierecht behoren het VwEU en het EU-Verdrag (met inbegrip van de wijzigings- en toetredingsverdragen), het EU-Handvest en de algemene beginselen van Unierecht.10 Het secundaire Unierecht omvat de verordeningen, richtlijnen, besluiten, aanbevelingen en adviezen (art. 288 lid 1 VwEU). Voor het privaatrecht zijn verordeningen en richtlijnen het belangrijkste. Aanbevelingen en adviezen zijn niet bindend (art. 288 lid 5 VwEU) en zijn minder van belang voor het privaatrecht, en besluiten hebben minder belang vanwege het beperkte(re) toepassingsbereik ervan. Ik laat die in dit onderzoek buiten beschouwing.11