Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.5.5.4
III.5.5.4 Artikel 5.37a Omgevingswet: deelvergunninghouders
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460335:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
En voor zover het niet een bij AMvB aangewezen uitzonderingsgeval betreft. Maar deze facultatieve grondslag lijkt niet te worden ingevuld. Zie Consultatieversie Invoeringsbesluit Omgevingswet, Algemeen deel, nota van toelichting, p. 96, versie van 29 oktober 2018.
Kamerstukken II 2017/18, 34986, 3, p. 75-76, 199 e.v.
Voor mededrijvers en hoofddrijvers verandert artikel 5.37a Ow weinig tot niets, aangezien die – ongeacht of ze worden aangewezen als vergunninghouder op grond van 5.37a OW – reeds op grond van 5.37 Ow normadressaat zijn van de activiteiten waarover ze zeggenschap hebben.
Nieuw in de Ow is de mogelijkheid om een verantwoordelijkheidsverdeling op te nemen in de vergunning voor zover de activiteit of de onderdelen van de activiteit voor de naleving en handhaving helder en werkbaar te onderscheiden zijn (art. 5.37a Ow).1 Dat betekent dat één activiteit meerdere vergunninghouders kan hebben, en dat in de omgevingsvergunning wordt bepaald welke ‘deelvergunninghouder’ verantwoordelijkheid draagt voor de naleving van welke onderdelen van de activiteit.2 De verantwoordelijkheidsverdeling is alleen mogelijk op verzoek van de aanvragers, en kan niet ambtshalve worden toegepast.3 De regeling van artikel 5:37a Ow vindt haar oorsprong in artikel 4 lid 3 van de Richtlijn industriële emissies (RIE), maar de wetgever heeft ervoor gekozen de regeling een brede, generieke strekking te geven. Dus niet alleen bij IPPC-installaties is een verantwoordelijkheidsverdeling mogelijk, maar ook bij andere vergunningplichtige milieubelastende activiteiten.
Door het loslaten van het vereiste van organisatorische binding, zullen zich onder de Ow regelmatig situaties voordoen met meerdere vergunninghouders die verantwoordelijk zijn voor verschillende onderdelen van de milieubelastende activiteit. Immers, als bedrijven in elkaars nabijheid een vergelijkbare activiteit verrichtenenopéénofanderemanierfunctioneelverbondenzijn,zullenzeaangemerkt kunnen (of zelfs moeten?) worden als één milieubelastende activiteit. Bedrijven zijn dan vaker op elkaar aangewezen. Als dan ook nog eens alle vergunninghouders gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor álle vergunningsvoorschriften, dan speelt 5.37a Ow een belangrijke rol. Want in dat geval kunnen de deelvergunninghouders alleen door middel van een verantwoordelijkheidsverdeling ontsnappen aan het adressaatschap van normen die zien op bezigheden waarover zij geen zeggenschap hebben.
De mogelijkheid om een verantwoordelijke aan te wijzen voor een bepaald deel van de vergunning door middel van art. 5.37a Ow, roept een belangrijke vraag op: is ingevolge 5.37a Ow slechts de aangewezen persoon normadressaat van de voorschriften die betrekking hebben op zijn milieubelastende activiteiten? Oftewel, als een persoon niet op grond van 5.37a Ow is aangewezen als vergunninghouder, maar feitelijk wel ‘verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteit’ en dus op grond van 5.37 Ow vergunninghouder zou zijn, is deze persoon dan alsnog vergunninghouder?
Bijvoorbeeld, in een bierbrouwerij is een waterzuiveringsinstallatie en een brouwinstallatie aanwezig. De eigenaar Z zou werknemer A kunnen aanwijzen als normadressaat voor de normen die betrekking hebben op waterzuiveringsinstallatie, en werknemer B als normadressaat van de normen die betrekking hebben op de brouwinstallatie. Stel dat in de praktijk niet B, maar werknemer C zeggenschap heeft over (en dus ‘verantwoordelijk’ is in de zin van artikel 5.37 Ow) voor het bedienen van de brouwinstallatie. Is C dan óók normadressaat? En is eigenaar Z – die naar huidig recht hoofddrijver zou worden genoemd – ook vergunninghouder? Of is sléchts B normadressaat?
Als op grond van artikel 5.37a Ow sléchts de aangewezene vergunninghouder is, en niemand anders, dan zou de omgevingsvergunning de facto een persoonsgebonden karakter krijgen. Bedrijven zouden hier misbruik van kunnen maken door een vergunninghouder aan te wijzen die niets te maken heeft met het feitelijke verrichten van de activiteit, bijvoorbeeld een (lege) vennootschap of een verre vriend. Dit kan de handhaving van de norm frustreren, omdat degene die wordt geadresseerd door de norm en degene die de norm daadwerkelijk overtreedt zich ver van elkaar af bevinden.
De spiegelbeeldige variant van de eerste vraag is ook interessant; kan iemand die op grond van artikel 5.37a Ow is aangewezen als vergunninghouder, maar feitelijk niets (meer) te maken heeft met de activiteiten, ontsnappen aan zijn status als normadressaat?
Stel dat werknemer B (de ‘vergunninghouder’ van de brouwinstallatie) ontslag neemt. Eigenaar Z regelt een vervanger (werknemer D) maar heeft deze wijziging niet gemeld bij het bevoegde gezag.4 Is B dan nog steeds (en werknemer D nog geen) normadressaat van de regels over bierbrouwen?
De bovenstaande voorbeelden illustreren dat een te formele toepassing van 5.37a Ow ongewenste effecten kan hebben. Het lijkt me dan ook wenselijk dat artikel 5.37a Ow niet wordt uitgelegd als een uitzondering is op artikel 5.37 Ow, maar dat in plaats daarvan de regeling van 5.37a Ow ‘slechts’ een (weerlegbaar) vermoeden oplevert van wie verantwoordelijk is voor het verrichten van een onderdeel van een milieubelastende activiteit. Daardoor blijft het zaaksgebonden van de omgevingsvergunning intact. Vanwege het uitgangspunt in de Omgevingswet dat in beginsel alle vergunninghouders verantwoordelijk zijn voor de naleving van álle vergunningsvoorschriften, biedt artikel 5.37a Ow nog wel uitkomst voor degenen die naar huidig recht deeldrijvers genoemd zouden worden.5 Die kunnen met een beroep op deze regeling voorkomen dat ze normadressaat zijn van regels die geen betrekking hebben op hun eigen bezigheden.
Ik plaats hierbij de kanttekening dat art. 5.37a Ow hiermee een probleem oplost dat vóór de Omgevingswet niet bestond. Immers, als deeldrijvers slechts verantwoordelijkheid dragen voor het deel waarover ze zeggenschap hebben, zoals onder huidig recht het geval lijkt te zijn, dan is er geen wettelijke uitzondering nodig.