Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/8.1
8.1 Inleiding
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196943:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In het derde scenario heeft de wederpartij van de rechtspersoon, die ten gevolge van een onmiddellijke voorziening niet nakomt, in beginsel jegens de rechtspersoon een vordering tot schadevergoeding (7.8-7.13). Zie voor de drie scenario’s nr. 9.
Zie nr. 247 en 7.10.
Zo niet, dan ontbreekt subjectieve verwijtbaarheid (nr. 247).
Nr. 255.
Daarbij wordt teruggegrepen op de twee vragen die in nr. 257 zijn geformuleerd over gedrag van de rechtspersoon in zijn hoedanigheid van zorgvuldig crediteur: ‘Is een rechtspersoon tegenover zijn crediteur gehouden om een enquête en een onmiddellijke voorziening te voorkomen?’; ‘Mag een crediteur bepaalde proceshandelingen en een bepaalde proceshouding van de rechtspersoon verwachten?’.
Zie ook nr. 256.
Koopovereenkomsten en een samenwerkingsovereenkomst.
Zie nr. 28.
Over managementovereenkomsten, die in de praktijk ook van belang zijn, gaat hfdst. 9.
In enquêteprocedures figureren ook koopovereenkomsten waarbij rechtspersonen bedrijfsmiddelen of andere cruciale activa verkopen. Voor die gevallen gelden de algemene, niet op aandelentransacties toegespitste, opmerkingen die in dit hoofdstuk worden gemaakt over koopovereenkomsten. De rechtspersoon kan ook als koper optreden. Die gevallen worden niet besproken. De frequentie – in de praktijk – van onmiddellijke voorzieningen die de rechtspersoon als koper beletten verbintenissen na te komen, geeft daartoe geen aanleiding.
OK 9 september 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3967, ARO 2017/7 (Intrasonics Holdings B.V.): Het besluit tot verkoop van aandelen in de dochtervennootschap leverde, in onderling verband met andere omstandigheden, twijfel op. De SPA was getekend en aandelen waren ‘in overdracht’ (r.o. 2.23). De getroffen voorziening had uitdrukkelijk niet tot doel de overdracht van aandelen ongedaan te maken (r.o 3.17).
OK 22 september 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3988, ARO 2017/24 betreft de verkoop van werkmaatschappijen zonder onafhankelijke waardering.
OK 3 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4395, ARO 2007/79 (ABN Amro).
Waaronder de periode van onderhandeling, voorafgaand aan het daadwerkelijk sluiten van de overeenkomst, wordt begrepen.
De rechtspersoon kan met zijn proceshouding mogelijk invloed uitoefenen op het treffen of het voortbestaan van de onmiddellijke voorziening. Ook kan hij, voordat over de voorziening wordt beslist, aanbieden de toestand die de voorziening vergt, op te heffen. Zie nr. 256.
[274] Een geslaagd beroep op overmacht door de rechtspersoon doet af aan het succes van de vordering tot schadevergoeding van de wederpartij.1 De rechtspersoon heeft geen beroep op overmacht, als de tekortkoming aan zijn schuld te wijten is. Om te kunnen vaststellen of schuld ontbreekt, moet worden bepaald hoe een zorgvuldige schuldenaar in de gegeven omstandigheden zich dient te gedragen. Dat is de objectieve norm die wordt aangelegd.2 Vervolgens wordt getoetst of de schending van de objectieve norm aan de concrete debiteur kan worden verweten.3
Inzicht in de objectieve norm is dus voor dit onderzoek relevant. De objectieve norm is immers medebepalend voor de slaagkans van een beroep op overmacht door de rechtspersoon. Van die slaagkans hangt het succes van de schadevergoedingsvordering van de wederpartij af (onderzoeksvraag b). Dat succes beïnvloedt op zijn beurt de negatieve effecten die de rechtspersoon van de onmiddellijke voorziening kan ondervinden (de centrale onderzoeksvraag).
De objectieve norm moet worden geconcretiseerd.4 In dit hoofdstuk wordt onderzocht of uit de overeenkomst voor de rechtspersoon een objectieve norm voortvloeit, die strekt tot het voorkomen van onmiddellijke voorzieningen. En er wordt nagegaan hoe die maatstaf kan worden geconcretiseerd.5
Onmiddellijke voorzieningen kunnen alleen getroffen worden als er redenen zijn om een enquête te bevelen en zijn vaak nauw met die redenen vervlochten.6 Als de rechtspersoon twijfel aan zijn beleid en gang van zaken weet te vermijden, voorkomt hij onmiddellijke voorzieningen. De beschouwingen worden daarom niet beperkt tot het vermijden van een onmiddellijke voorziening, maar het voorkomen van een enquête wordt erin betrokken (8.3 en 8.4).
Het onderzoek in dit hoofdstuk is, bij gebreke aan op dit thema toegespitste literatuur, casuïstisch. De zaken die ter illustratie worden opgevoerd gaan over aandelentransacties.7 Daarvoor is gekozen omdat aandelentransacties vaak een rol spelen in enquêteprocedures.8 In enquêteprocedures over een biedingsstrijd of overnameconflict dient zich bovendien relatief vaak de vraag aan, of een voorziening nodig is die conflicteert met een verplichting uit een aandelentransactie. Er zijn wel andersoortige overeenkomsten en andere omstandigheden te bedenken, die een objectieve norm aan het licht kunnen brengen. Het praktische nut van fantasieën over zulke overeenkomsten en omstandigheden is gering.9
Het kan bij aandelentransacties gaan om koopovereenkomsten, waarbij een rechtspersoon een (al dan niet 100%) aandelenbelang verkoopt.10 Het kan ook gaan om overeenkomsten tot uitgifte van aandelen of aandelenruil. Verwikkelingen rond overeenkomsten kunnen aanleiding geven om aan het beleid van de rechtspersoon te twijfelen.11 De twijfel wordt in zulke gevallen opgeroepen door een dubbelrol van degene die over de transactie besluit of door gebrekkige informatievoorziening aan belanghebbenden die niet tevens besluitvormer zijn of door schending van formaliteiten. Bij koopovereenkomsten kan het ontbreken van een deugdelijke, onafhankelijke waardering van de verkochte zaken een rol spelen.12 Als de gang van zaken rondom de overeenkomst inderdaad kwestieus is, draagt dat bij tot of leidt dat tot het oordeel dat een onderzoek gerechtvaardigd is. Ook kan de overeenkomst aanleiding geven voor onmiddellijke voorzieningen.13
Bij de vraag naar het normatieve gedrag van de rechtspersoon die als contractpartner optreedt, concentreert de aandacht zich op de tijdspanne van het tot stand komen van de overeenkomst tot de voltooiing van de uitvoering ervan.14 Als in dit hoofdstuk wordt gesproken over het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon, wordt grosso modo het beleid en de gang van zaken in die periode bedoeld.
Waar wordt geconcludeerd dat de rechtspersoon gehouden is om twijfel aan zijn beleid en een enquête naar dat beleid te voorkomen, worden daaronder zijn processuele mogelijkheden daartoe begrepen.15