Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/1.1
1.1 Belang
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS349195:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 3:182 BW jo. art. 3:186 BW voor het bereiken van het bedoelde rechtsgevolg.
Het Burgerlijk Wetboek van 1838 kende geen wettelijke omschrijving van de voorloper van de verdeling, de zogenaamde (boedel)scheiding, ook wel scheiding en deling genaamd. Zie TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 611. Het BW 1838 kende wel de licitatie, art. 1122 BW.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 611; MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 612.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 612: ‘Naar de mening van de ondergetekende moet een handeling als verdeling worden aangemerkt, indien de bijzondere regelingen van toepassing behoren te zijn, die het wetboek voor verdelingen bevat: de in de artikelen 3.7.1.12 lid 2 van het gewijzigd ontwerp [thans art. 3:183 lid 2 BW, THS] en 3.7.2.3 lid 1 [thans art. 3:194 lid 1 BW, THS] vervatte waarborgen dat de verdeling deskundig en zorgvuldig geschiedt; de vrijwaringsregeling van artikel 3.7.1.16 [thans art. 3:188 BW, THS]; de benadelingsregeling van artikel 3.7.3.2 [thans art. 3:196 BW, THS]; de in artikel 3.7.1.14 lid 4 van het oorspronkelijk ontwerp – artikel 3.7.1.14a lid 2 van het gewijzigd ontwerp [thans art. 3:186 lid 2 BW, THS] – neergelegde regel dat een deelgenoot hetgeen hij door verdeling uit de gemeenschap verkrijgt, onder dezelfde titel houdt als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden.’ Zie ook TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 611.
Zowel voor de voormalige Registratiewet 1917 als de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 geldt dat voor de vaststelling van de inhoud van de termen scheiding/verdeling het civielrechtelijke begrip leidend was/is. Zie: HR 20 juni 1951, NJ 1952, 559; Kamerstukken II 1969/70, 10 560, 3, p. 25 (MvT).
Zie art. 7 Wbr jo. art. 12 lid 1 Wbr. Op grond van art. 3 Wbr is echter van verkrijging uitgezonderd de verdeling van een huwelijksgemeenschap of nalatenschap, waarin de verkrijger was gerechtigd als rechtverkrijgende onder algemene titel. Vrijstellingen zijn opgenomen in art. 15 Wbr, alwaar – onder voorwaarden – lid 1 onder f vrijstelt de verkrijging krachtens verdeling of vereffening in bepaalde gevallen en lid 1 onder g vrijstelt de verkrijging krachtens verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners.
Zie onder andere: HR 20 juni 1951, NJ 1952, 559 m.nt. Houwing; HR 4 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8699, BNB 1987, 149 m.nt. Laeijendecker, NJ 1989, 224 m.nt. W.M. Kleijn; HR 4 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8698, BNB 1987, 150 m.nt. Laeijendecker, NJ 1989, 223 m.nt. W.M. Kleijn; HR 16 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5082, BNB 1992, 385 m.nt. Zwemmer; HR 31 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1638, BNB 1995, 251, m.nt. Zwemmer, FED 1995, 598 m.nt. Van Straaten.
Een gemeenschap ontstaat wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk.1 Een gemeenschap eindigt wanneer aan dit criterium niet langer wordt voldaan. Beëindiging van een gemeenschap kan op verschillende wijzen plaatsvinden. Een van deze wijzen van beëindiging heeft betrekking op de beëindiging via verdeling.2
Met ingang van 1 januari 1992 heeft de wetgever de rechtsfiguur van verdeling van een plaats in de wet voorzien.3 Het wettelijke verdelingsbegrip is sindsdien geregeld in art. 3:182 BW:
‘Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. De handeling is niet een verdeling, indien zij strekt tot nakoming van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een of meer deelgenoten, die niet voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin.’
Het belang om te weten of een rechtshandeling al dan niet als verdeling moet worden aangemerkt, is zowel aanwezig binnen het civiele als het fiscale recht.4 Het civiele recht verklaart op de rechtsfiguur van verdeling verschillende bijzondere daarvoor geschreven bepalingen van toepassing.5 Daarnaast kent het civielrechtelijke verdelingsbegrip een doorwerking in het fiscale recht, meer in het bijzonder op het terrein van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (Wbr)6 in het kader van de overdrachtsbelasting.7 Het is de wisselwerking tussen het civiele en het fiscale recht die – met name via de fiscale jurisprudentie8 – tevens een bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van het verdelingsbegrip van art. 3:182 BW.
Nu het wettelijke toetsingskader leidend is voor de vaststelling of sprake is van een verdeling en de uitkomst daarvan relevantie heeft voor de hier bedoelde rechtsgebieden, is het belang van het hebben van een juist begrip omtrent de inhoud en reikwijdte van het verdelingsbegrip daarmee gegeven.