Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/3.5.4
3.5.4 De Veertig Aanbevelingen van de Commissie Peters
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS385810:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Commissie Corporate Governance, Corporate Governance in Nederland, concept-rapport van 28 oktober 1996, in verkorte vorm opgenomen in De N.V. 1996, p. 318-321. Het betreffende nummer van De N.V. was geheel aan het concept-rapport van de Commissie Peters gewijd. Zie onder meer de kritische bijdrage van C. de Koning, De voorstellen van de Commissie Peters: ferme vlag, milde lading?’, De N.V. 1996, p. 305-309. Ook bepaald lezenswaardig is het interview met voormalig Elsevier-CEO P.J. Vinken. Zie P.M.L. Frentrop, ‘Meer invloed voor aandeelhouders? Waar staat dat?’, De N.V. 1996, p. 301-305. Voor een positieve bespreking, zie W.J.L. Calkoen, ‘De Commissie Corporate Governance ‘Peters’ zwengelt discussie aan.’, TVVS 1995, p. 333-338 en L. Timmerman, ‘Zelfregulering in de sfeer van het vennootschapsrecht’, De N.V. 1997, p. 73.
Uit het feit dat de voorzitter van de VEUO niet bij de installatie van de Commissie Peters was betrokken werd in het redactioneel commentaar bij een themanummer in De N.V. afgeleid dat de Commissie Peters enkel van de VvdE uitging. In de aanbiedingsbrief van het rapport van de Commissie Peters werd evenwel gesteld dat de Commissie was ingesteld als uitvloeisel van het beginselakkoord. Zie H.J.M.N. HonÉe et al. (reds), ‘Themanummer Corporate Governance in Nederland: ter inleiding’, De N.V. 1996, p. 295.
Commissie Corporate Governance, Corporate Governance in Nederland: de Veertig Aanbevelingen, 25 juni 1997, te raadplegen op
M.J.G.C. Raaijmakers ‘Corporate Governance’ in M.J.G.C. Raaijmakers, R. van Rooij &A.S.M. Tervoort (reds.), Ondernemingsrecht in internationaal perspectief, Lustrumbundel NGB, Deventer: Kluwer 1995, p. 179-205.
H.J.M.N. HonÉe et al. (reds.), ‘Themanummer Corporate Governance: voorwoord’, De N.V. 1995, p. 241.
M. Tabaksblat, ‘Corporate Governance in internationaal perspectief’, lezing gehouden tijdens de Dag van de Aandeel op 24 november 1995, De N.V. 1995, p. 242.
Het betrof een vraag van de PvdA-kamerleden Witteveen-Hevinga en Van der Ploeg aan Minister van Financiën Zalm naar aanleiding van een artikel van econoom A.W.A. Boot in de NRC over beschermingsconstructies. Zowel de vraagstellers als Zalm spraken hierbij over het Nederlandse systeem van ‘corporate governance’. Hierbij dient te worden opgemerkt dat zowel Zalm als ook Van der Ploeg econoom waren. Zie Handelingen II, 1995/ 96, Aanhangsel 324, p. 659.
B.R. Cheffins, ‘The History of Corporate Governance’, ECGI Law Working Paper no. 184/2012, januari 2012, te raadplegen via
Commissie Peters 1997, p. 3.
Rapport van de Committee on the Financial Aspects of Corporate Governance (Cadbury Code) van 1 december 1992, London: Gee & Co. 1992, te raadplegen via <https://www. ecgi.org>. De Cadbury Code is in Nederland indertijd besproken door P.N.J van Welzen, ‘Het Cadbury Rapport van nieuwe “balance of power” voor Engelse beursvennootschappen, De N.V. 1993, p. 7-12 en uitgebreid door W.J.L. Calkoen, ‘Cadbury Report: begin van nieuwe normen voor Engelse Boardrooms’, TVVS 1994, p. 261-265.
Commissie Peters 1997, p. 4 (“De voorgestelde rapportage inzake de navolging van de aanbevelingen schept helderheid. De rapportage behoeft geen stigmatiserende werking te hebben, mits de vennootschappen die tot niet-navolging van sommige aanbevelingen besluiten dit wel goed gemotiveerd doen en daarover duidelijke uitleg verschaffen aan de kapitaalverschaffers en andere belanghebbenden.”)
Ibid, p. 4.
Interview G. Zalm in de NRC, 24 juli 1997, aangehaald in Buijs 1997, p. 300 en noot 5.
H.O.C.R. Ruding, ‘De Commissie-Peters vanuit internationale hoek bezien’, TVVS 1997, p. 295: “Mocht dat laatste [vrijwillige naleving van de aanbevelingen] niet het geval blijken te zijn, dan rijst de vraag of de Nederlandse overheid deze vrijwillige gedragscode van het bedrijfsleven niet moet versterken met wettelijke maatregelen. Minister van Financiën Zalm heeft – net als bij de beschermingsconstructies enige jaren geleden – daarmee al gedreigd.” en p. 298: “Bijna alle veertig aanbevelingen van de Commissie verdienen naar mijn mening steun. Ik hoop dat in 1998 blijkt dat de Nederlandse beursvennootschappen deze aanbevelingen hebben uitgevoerd.”
Commissie Peters 1997, p. 23.
Zie ook de toelichting, Commissie Peters 1997, p. 29. Over het onderwerp proxy solicitation naar aanleiding van deze aanbeveling, zie uitgebreid M.J. van Ginneken, ‘Proxy solicitation voor en door aandeelhouders, De N.V. 1998, p. 134-141.
Het concept-rapport van de Commissie Peters van oktober 1996 bevatte voor deze aanbeveling nog geen ontvankelijkheidsvereisten of weigeringsgronden (“Verzoeken van kapitaalverschaffers tot agendering op de Algemene Vergadering van Aandeelhouders worden in beginsel gehonoreerd.”). Op basis van de consultatieronde werden in de definitieve tekst alsnog de in de hoofdtekst beschreven kwantitatieve ontvankelijkheidscriteria (aandelenbelang, termijn) en inhoudelijke weigeringsgrond (zwaarwichtig belang) opgenomen.
Commissie Peters 1997, p. 28.
Ibid, p. 22.
Ibid, p. 23.
Notitie inzake beschermingsconstructies van 1 februari 1991, Kamerstukken II, 1990/91, 21 038, nr. 22, p. 6. Zie ook hiervoor §3.2.
Ibid, p. 25.
Ibid.
Het rapport van de Commissie Peters stipuleerde dat de nadruk bij de onderwerpen 3 tot en met 6 – dat wil zeggen alle onderwerpen behalve de strategie en majeure wijzigingen – lag op het kunnen uitoefenen van invloed. Dit werd door Buijs zo uitgelegd dat de nadruk bij het de andere onderwerpen lag op de aan aandeelhouders over deze onderwerpen te verstrekken informatie. Zie Buijs 1997, p. 302. Uit de tekst van het rapport zelf wordt dit niet voorshands duidelijk.
Memorie van Toelichting bij het Wetsvoorstel betwiste overnames van 20 november 1997,Kamerstukken II, 1997/98, 25 732, nr 3, p. 12.
Zie bijvoorbeeld P.W. Moerland, ‘Corporate Governance en marktwerking’, De N.V. 1995, p. 247-251.
M. Tabaksblat, ‘Corporate governance, een ondernemersvisie’, Ondernemingsrecht 1999, p. 44.
Monitoring Commissie Corporate Governance, Bericht van de Monitoring Commissie Corporate Governance en de uitkomsten van het onderzoek verricht door het Economisch Instituut Tilburg (EIT), verbonden aan de Katholieke Universiteit Brabant, Deventer: Kluwer 1998. Saillant detail is dat in het voorwoord van het rapport van de Monitoring Commissie melding werd gemaakt van de instelling van een leerstoel ‘Corporate Governance’ aan de economische faculteit van de KUB. Op de betreffende leerstoel werd in 1999 de Tilburgse hoogleraar en lid van de oorspronkelijke Commissie Peters Moerland benoemd.
Monitoring Commissie Peters 1998, p. 22-23.
Ibid, p. 23.
Ibid, p. 17.
Op 28 oktober 1996 presenteerde de Commissie Corporate Governance, naar haar voorzitter J.F.M. Peters (voormalig bestuursvoorzitter van Aegon N.V.) ook wel aangeduid als de Commissie Peters, haar concept-rapport Corporate Governance in Nederland.1 De Commissie Peters was op 9 april 1996 ingesteld door de voorzitter van de VvdE. Dat de commissie pas elf maanden na het sluiten van het beginselakkoord is ingesteld (waardoor de oorspronkelijke deadline van 1 juni 1996 ook niet meer haalbaar was) doet vermoeden dat de VvdE en de VEUO het aanvankelijk niet eens konden worden over de samenstelling en taakopdracht van de commissie.2 De Commissie Peters rapporteerde niet formeel aan de VvdE en de VEUO. Wel vormde de samenstelling van de Commissie Peters een afspiegeling van de bij de discussie over corporate governance betrokken belangengroepen. Het secretariaat werd gevoerd vanuit de VvdE (na 1 januari 1997 vanuit Amsterdam Exchanges N.V., de nieuwe entiteit die per die datum de VvdE opvolgde als beurshouder van de Amsterdamse aandelen- en optiebeurzen) en de VvdE had tevens ÉÉn afgevaardigde in de commissie. Van de overige partijen waren drie leden op voordracht van de VEUO benoemd en drie leden op voordracht van het ‘platform beleggers’. Laatstgenoemde beleggersafvaardiging bestond uit de voormalig directeur van de VEB, het hoofd aandelenbeleggingen van het ABP en een vertegenwoordiger van de ondernemingspensioenfondsen. Tot slot waren nog drie onafhankelijke deskundigen lid van de commissie. Ondanks de uiteenlopende belangen van betrokken partijen slaagde de Commissie Peters erin om in korte tijd met een gedegen en bovendien unaniem rapport te komen. Na een consultatieronde presenteerde de Commissie Peters op 25 juni 1997 haar – op punten gewijzigd – definitief rapport.3
Ten tijde van de instelling van de Commissie Peters was de term ‘corporate governance’ nog niet bepaald ingeburgerd in het gangbaar politiek- en juridisch spraakgebruik. In juridische artikelen begon de term Corporate Governance – doorgaans eerbiedig met hoofdletters geschreven – pas rond 1995 school te maken. Te wijzen valt op de gelijknamige bijdrage van Raaijmakers in de lustrumbundel van het Nederlands genootschap voor bedrijfsjuristen4 en het gelijknamige themanummer van De N.V. van december 1995. Het redactioneel voorwoord bij dit laatstgenoemde nummer gaf de onbepaaldheid van het begrip corporate governance treffend weer: “Deze aflevering staat in het teken van Corporate Governance. Deze term, hoe weinig omlijnd ook, heeft zich in korte tijd ingeburgerd, niet alleen in Nederland maar ook in de ons omringende landen. Dat stelt gerust, omdat hieruit blijkt dat wij niet alleen staan in ons onvermogen de term adequaat in de eigen taal weer te geven. Het zij zo, zolang wij maar bij benadering weten waarover wij het hebben.”5 De toenmalige CEO van Unilever,M. Tabaksblat, had in zijn lezing ‘Corporate governance in internationaal perspectief’ tijdens de door de VEB georganiseerde Dag van het Aandeel in november 1995 al een vergelijkbaar geluid laten horen: “Het gehoor van een lezing mag over het algemeen van de spreker verwachten dat de titel van zijn voordracht voldoende duidelijk maakt waarover het zal gaan. Ik vrees dat de titel van mijn verhaal niet meteen aan deze verwachting beant woordt. Uit kranten, geleerde stukken en cursussen krijg ik de indruk dat de term ‘corporate governance’ goed in het gehoor ligt, een zekere sjiek heeft, zonder dat echter duidelijk is wat de term precies inhoudt. Veelzeg gend is dat wij er geen goed Nederlands equivalent voor hebben.”6 Ook in de politiek duurde het tot 1995 voordat de term corporate governance voor het eerst werd gebruikt.7 Recent is de wereldwijde herkomst van het begrip corporate governance door Cheffins onderzocht. Hij concludeerde dat het begrip in de jaren ’70 in de Verenigde Staten voor het eerst is gebruikt en dat de term pas begin jaren ’90 naar het Verenigd Koninkrijk is overgewaaid.8
Het rapport zelf bevatte een lijst van veertig aanbevelingen voor corporate governance bij Nederlandse beursvennootschappen. In het bijzonder ging het daarbij om aanbevelingen over de inrichting, samenstelling en het functioneren van de RvC. Een ander wezenlijk deel van de aanbevelingen zag op de verhouding tussen de beursvennootschap en haar aandeelhouders (kapitaalverschaffers). Met de veertig aanbevelingen had de Commissie Peters zich blijkens de aanbiedingsbrief bij het definitieve rapport gericht op “die aspecten van Corporate Governance die het samenspel van en het evenwicht tussen toezicht, leiding en kapitaalverschaffers binnen de vennootschap bepalen.”9 Hoewel dit niet met zoveel woorden in het rapport is vermeld, had de Commissie Peters zich kennelijk in belangrijke mate laten inspireren door het in 1992 in het Verenigd Koninkrijk verschenen rapport The Financial Aspects of Corporate Governance van het Cadbury Committee (zie §7.3 hierna).10 In lijn met de systematiek van de Cadbury Code beoogde de Commissie Peters met haar veertig aanbevelingen een set van ‘best practices’ te formuleren die de beursondernemingen bij wijze van zelfregulering zouden dienen te implementeren.
Voor de afdwingbaarheid van de naleving van de aanbevelingen voorzag de Commissie Peters in een marktgeoriënteerd systeem van handhaving. Op grond van aanbeveling 34 zouden beursvennootschappen de hoofdlijnen van hun corporate governance-beleid in hun jaarverslag uiteen moeten zetten, inclusief een gemotiveerde vermelding over de vraag in hoeverre de aanbevelingen waren opgevolgd. Blijkens de toelichting stond de Commissie Peters hierbij een per specifieke aanbeveling gemotiveerde afwijking voor ogen.11 Zij verwachtte dat op basis van deze verslaggeving vanaf het boekjaar 1998 bij beursvennootschappen discussies zouden plaatsvinden binnen de RvC en de AVA. Als extra stok achter de deur werd voorts voorgesteld om in 1999 een eenmalige monitoring te laten verrichten naar de nakoming van de aanbevelingen van de Commissie Peters door alle Nederlandse beursvennootschappen (aanbeveling 39). De verwachting van de Commissie Peters was dat deze voorgestelde combinatie van verslaggeving, discussie en monitoring ook daadwerkelijk veranderingen (dat wil zeggen verbeteringen) in de governance van beursondernemingen teweeg zou brengen. Zij stelde hierover het volgende: “De implementatie van de aanbevelingen bij vennootschappen is een publiek proces, waarbij de verwachtingen van de buitenwereld hooggespannen zullen zijn. Totdat het tegendeel bewezen is, gaat de Commissie ervan uit dat alle relevante betrokkenen loyaal zullen werken aan een passende implementatie binnen de desbetreffende vennootschap. De Commissie meent dan ook dat zij een goede aanpak heeft gekozen. EÉn die naar haar mening in het geheel niet vrijblijvend is en meer wijzigingen zal oproepen dan op het eerste gezicht het geval lijkt. Dit zal naar verwachting het gevolg zijn van de discussie die het rapport heeft opgewekt en de veel positieve reacties die het heeft ontvangen.”12
Deze optimistische verwachting ten spijt lijkt politieke druk de belangrijkste factor te zijn geweest bij de aanzet tot naleving. Een maand na het verschijnen van het definitieve rapport van de Commissie Peters had Minister van Financiën Zalm in een kranteninterview reeds gedreigd met wettelijke maatregelen als een zichtbaar resultaat in naleving van de aanbevelingen van de Commissie Peters zou uitblijven.13 Ook oud-Minister van Financiën Ruding, inmiddels bestuurder bij Citibank, sprak kort na de verschijning van het rapport de hoop uit dat al in 1998 zou blijken dat de Nederlandse beursvennootschappen de aanbevelingen zouden hebben uitgevoerd, waarbij hij ook het dreigement van Zalm met kennelijke instemming aanhaalde.14 Zalm had in 1996 met het forceren van een akkoord met de VEUO en de VvdE over een wettelijke regeling van beschermingsconstructies al aangetoond niet voor de uitvoering van dergelijke dreigementen terug te deinzen. De sector stond dus onder grote druk om op de zeer korte termijn met resultaten te komen.
Over de positie van aandeelhouders bevatten de aanbevelingen van de Commissie Peters en de toelichting daarop in het rapport een aantal opmerkelijke punten ten aanzien van het tot dan toe bestaande juridisch en feitelijk kader. Als algemeen uitgangspunt werd gesteld dat het bestuur en de RvC het vertrouwen van de AVA dienden te hebben (aanbeveling 28). De Commissie Peters zag dan ook geen directe noodzaak om met wetgeving in te grijpen in het onder het structuurregime geldende systeem van coöptatie bij benoeming van leden van de RvC en de benoeming van het bestuur door de RvC indien en voor zover dit vertrouwensvereiste ten aanzien van de aandeelhouders ook in het benoemingsbeleid van bestuurders en commissarissen zou worden verdisconteerd.15 Over deze vertrouwensrelatie benadrukte de Commissie Peters voorts het belang van de aandeelhoudersvergadering als het forum waar bestuur en de RvC verantwoording dienden af te leggen over het door hen gevoerde beleid (aanbeveling 27). Voor het functioneren van de AVA – in deze zin begrepen als de fysieke aandeelhoudersvergadering – deed de Commissie Peters twee concrete voorstellen om de opkomst en participatie van aandeelhouders en de kwaliteit van de beraadslaging en besluitvorming in de vergadering te verbeteren. In de eerste plaats zou naar Amerikaans voorbeeld een systeem van ‘proxy solicitation’ het voor aandeelhouders mogelijk moeten maken om voorafgaand aan een fysieke AVA met andere aandeelhouders in contact te treden voor discussie over de op de AVA geagendeerde onderwerpen dan wel voor het werven van stemmen in verband daarmee (aanbeveling 32).16 Daarnaast betrof aanbeveling 30 de mogelijkheid voor houders van tenminste 1% van de aandelen of een pakket aandelen met een beurswaarde van tenminste NLG 500.000 om tenminste dertig dagen vooraf de opname van een of meer punten op de agenda van een komende AVA te verzoeken, waarbij de vennootschapsleiding gehouden zou zijn om tot agendering over te gaan tenzij naar haar mening zwaarwichtige belangen van de vennootschap zich tegen agendering zouden verzetten.17 In de toelichting op de aanbevelingen gaf de Commissie Peters aan dat deze agenderingsmogelijkheid voor aandeelhouders van belang was “in het kader van de gewenste dialoog en de gevraagde verantwoording”.18 De door de Commissie Peters aanbevolen concrete maatregelen behelsden niet zozeer een wijziging in de juridische positie van aandeelhouders – dat wil zeggen een verruiming van hun formele bevoegdheden – maar eerder feitelijke aanpassingen waarmee aandeelhouders in staat zouden worden gesteld om beter van hun bevoegdheden gebruik te kunnen maken.
Naast de hierboven beschreven praktische aanbevelingen wilde de Commissie Peters ook een aanzet geven tot een meer fundamentele herbezinning op de positie van aandeelhouders. Zo werden vennootschapsleidingen en aandeelhouders van individuele beursvennootschappen aangespoord om op basis van het beginsel dat financierings- en zeggenschapsfuncties in elkaar verlengde dienden te liggen te komen tot een “herwaardering van de factor kapitaal” (aanbeveling 26). Het ging hierbij met name om de gekozen zeggenschapsstructuur, waarbij volgens de Commissie Peters een evenredigheid tussen kapitaalinbreng en zeggenschap (het ‘one share, one vote’ principe) als algemeen beginsel diende te gelden.19 Ook werd van vennootschapsleidingen verwacht dat zij voor hun betreffende beursvennootschap een inventarisatie zouden maken van de invloed van hun aandeelhouders en dat zij als een verruiming van de invloed van aandeelhouders wenselijk zou worden geacht hiertoe concrete maatregelen zouden voorstellen. Deze inventarisatie en eventueel op basis daarvan voorgestelde maatregelen zouden in het boekjaar 1998 aan de AVA ter bespreking gepresenteerd moeten worden (aanbeveling 29). Voor de laatstgenoemde inventarisatie had de Commissie Peters in haar rapport bepaalde uitgangspunten geformuleerd. Deze uitgangspunten komen neer op de meest opmerkelijke wending van de uitgangspunten van het klassieke ondernemingsrecht (zie hierna). De Commissie Peters zou hiermee een normatieve basis leggen voor de verdere ontwikkeling van ideeën over corporate governance als opmaat naar de ontwikkeling van het moderne ondernemingsrecht voor beursvennootschappen.
De Commissie Peters stelde als algemeen uitgangspunt voorop dat de kapitaalverschaffers (hier begrepen als verschaffers van risicodragend vermogen, derhalve aandeelhouders en certificaathouders) serieuze invloed binnen de vennootschap moesten kunnen uitoefenen. Zij overwoog: “De ondernemingsleiding mag niet langdurig algemeen onder de verschaffers van het kapitaal van de vennootschap levende opvattingen negeren ten aanzien van onderwerpen die haar aangaan.”20 De formulering ‘langdurig negeren’ is rechtstreeks te herleiden tot de in 1992 door de toenmalig Minister van Financiën Kok geformuleerde uitgangspunten voor beschermingsconstructies (“Indien de machtsverhoudingen in de algemene vergadering van aandeelhouders belangrijk zijn gewijzigd is het in zijn algemeenheid evenwel ongewenst dat de ondernemingsleiding dit feit langdurig negeert.”).21 Een cruciaal verschil tussen beide uitgangspunten is dat het langdurig negeren in de context van beschermingsconstructies zag op de aanwezigheid van een nieuwe meerderheidsaandeelhouder (als gevolg van een ongeïnviteerde overname), terwijl het uitgangspunt van de Commissie Peters ogenschijnlijk een bredere strekking had, namelijk inhoudelijke opvattingen van zittende aandeelhouders. Hiermee was evenwel niet gezegd dat de vennootschapsleiding gehouden was om de opvattingen van alle individuele aandeelhouders te volgen: de formulering ‘algemeen levende opvattingen’ gaf aan dat het in ieder geval om een breed gedragen sentiment onder de aandeelhouders zou moeten gaan.
Een tweede opmerkelijke stellingname van de Commissie Peters betrof de vraag wat nu precies de onderwerpen waren die de kapitaalverschaffers aangingen. Bij de hierboven beschreven inventarisatie van de positie van aandeelhouders had de Commissie zeven onderwerpen (‘toetspunten’) geïdentificeerd waarop kapitaalverschaffers naar haar oordeel invloed zouden kunnen moeten uitoefenen.22 Een aantal van deze onderwerpen was weinig controversieel, zoals statutenwijzigingen en vaststelling van de jaarrekening. Andere onderwerpen, zoals de omvang en samenstelling van het aandelenkapitaal (inclusief beslissingen over certificering van aandelen) en het dividendbeleid, lagen in de praktijk op dat moment wellicht wat gevoelig, maar sloten conceptueel gezien aan bij de juridische en economische positie van de aandeelhouder als kapitaalverschaffer. De Commissie Peters benoemde tot slot ook twee ‘inhoudelijke’ onderwerpen waarop aandeelhouders invloed zouden moeten kunnen hebben. De eerste was “Het strategisch beleid van de vennootschap, zoals ten aanzien van groeiperspectief, bedrijfstakken waarin zij actief is, het risicoprofiel [en] het nagestreefde winstniveau.”, de tweede “majeure wijzigingen in de aard en de omvang van de onderneming.”23 Hiermee sloeg de Commissie Peters een duidelijke normatieve piketpaal voor de verhouding tussen vennootschapsleiding en aandeelhouders. Wel stelde zij impliciet dat de nadruk bij het betrekken van aandeelhouders voor deze twee onderwerpen zou moeten liggen op het verstrekken van informatie, niet zozeer op het daadwerkelijk kunnen uitoefenen van invloed.24
De door de Commissie Peters geformuleerde uitgangspunten over de invloed op het strategisch beleid en majeure wijzigingen in aard en omvang van de onderneming waren indertijd niet opgenomen in het beginselakkoord tussen de VvdE en de VEUO en dus nieuw voor de betrokken partijen. Toch waren deze uitgangspunten uiteraard niet in het luchtledige ontstaan. De stelling dat de invloedssfeer van de aandeelhouders zich in zekere mate tot het strategisch beleid van de vennootschap zou moeten uitstrekken kan worden herleid tot de gesprekken die de Nederlandse pensioenfondsen eerder met het Ministerie van Financiën hadden gevoerd over het vervullen van hun rol als kernaandeelhouder in Nederlandse beursvennootschappen. In deze gesprekken hadden vertegenwoordigers van de pensioenfondsen aangegeven dat zij bereid waren om op te treden als stabiele aandeelhouder op voorwaarde dat de ondernemingsstrategie van de betreffende beursvennootschap zou bijdragen aan de continuïteit van de vennootschap en belangen van de aandeelhouders.25 Vanuit het perspectief van de pensioenfondsen lag een zekere invloed op de ondernemingsstrategie in een logisch verlengde van deze voorwaarde. Gelet op de vertegenwoordiging in het ‘platform beleggers’ binnen de Commissie Peters vanuit de pensioenfondsen is het niet verwonderlijk dat dit standpunt ook in het rapport van de Commissie Peters doorwerkte. Ook waren de standpunten van de Commissie Peters mede gebaseerd op, althans in zekere mate beïnvloed door, nieuwe inzichten in de economische wetenschap (zie hoofdstuk 4 hierna). Op deze plaats kan reeds worden gewezen op het werk van de Tilburgse econoom Moerland, zelf lid van de Commissie Peters, over disciplineringsmechanismen.26
Vanuit de praktijk waren deze opvattingen bepaald niet onomstreden, met name vanuit het perspectief van bestuurders van beursondernemingen. Illustratief zijn de opmerkingen van Unilever-CEO Tabaksblat tijdens een door de Stichting Corporate Governance Onderzoek Pensioenfondsen (thans Eumedion) georganiseerd symposium over corporate governance in november 1998: “Ik weet niet precies wat de commissie voor ogen stond toen ze dit schreef, maar als de ondernemingsstrategie op een achternamiddag in de aandeelhoudersvergadering bepaald moet worden is er iets goed mis. De bepaling van de strategie van de onderneming moet worden overgelaten aan de ondernemingsleiding. Daarvoor is deze aangesteld en beschikt zij, althans behoort zij te beschikken, over de kennis en de ervaring om verantwoorde strategische beslissingen te nemen en de gevolgen daarvan te overzien. Aandeelhouders ontberen noodzakelijkerwijs het daartoe vereiste inzicht. Wel zal de ondernemingsleiding de aandeelhouders zorgvuldig en accuraat moeten informeren over het ontwikkelde strategisch beleid en de daarmee verbonden kansen en risico’s. De discussie in de aandeelhoudersvergadering tussen aandeelhouders en ondernemingsleiding moet derhalve gaan over de vraag of de aandeelhouders voldoende zijn geïnformeerd over het gevoerde beleid en de gekozen strategie. Aandeelhouders kunnen bestuur en toezichthouders daarover ter verantwoording roepen. Indien zij het niet eens zijn met de leiding, met haar plannen, met de door haar voorgestelde koerswijziging, dan kunnen de aandeelhouders weigeren decharge te verlenen of de jaarstukken goedkeuring onthouden, of in sommige ondernemingen zelfs de leiding naar huis sturen.”27
Dat de praktijk weerbarstiger bleek dan de door de Commissie Peters uitgesproken verwachting dat haar aanbevelingen tot vele wijzigingen in de governance en het beleid van beursondernemingen zouden leiden, bleek bij de in navolging van aanbeveling 39 ingestelde monitoring van de naleving van de aanbevelingen in het boekjaar 1997. Vanwege de hoge politieke druk was de oorspronkelijk voor het boekjaar 1998 geplande eenmalige monitoring met een jaar vervroegd. Een gezamenlijk door Amsterdam Exchanges N.V. (AEX) en de VEUO ingestelde ‘Monitoring Commissie’ – wederom onder voorzitterschap van Peters – schreef in januari 1998 alle Nederlandse beursvennootschappen aan met het verzoek om reeds in het jaarverslag over 1997 aandacht te besteden aan de naleving van de veertig aanbevelingen. 159 van de 208 Nederlandse beursvennootschappen gaven hieraan gehoor. Op basis van deze jaarverslagen en op basis van bezoeken aan de AVA’s van de betreffende beursvennootschappen stelde een onderzoeksgroep van Tilburgse economen een verslag over de naleving op dat in december 1998 door de Monitoring Commissie werd gepubliceerd.28 Wat betreft de aanbevelingen die betrekking hadden op de positie van aandeelhouders waren de resultaten gemengd. De Monitoring Commissie kon melding maken van twaalf beursvennootschappen waarbij de zeggenschap van aandeelhouders was versterkt (voornamelijk bij kleinere beursvennootschappen), maar constateerde tegelijkertijd dat bij 56 beursvennootschappen nog steeds de aandelen waren gecertificeerd.29 Ook de door de Commissie Peters beoogde fundamentele herbezinning op de rol en invloed van aandeelhouders had tot weinig waarneembare veranderingen geleid. Blijkens de rapportage van de Monitoring Commissie groef de vennootschapsleiding van een beursvennootschap zich doorgaans in, stellend dat aandeelhouders ten aanzien van de door de Commissie Peters genoemde toetspunten reeds voldoende invloed konden uitoefenen, terwijl de gewone aandeelhouders zelf zich in grote mate bij die status quo neer leken te leggen.30 De Monitoring Commissie concludeerde zelf dan ook: “Ten aanzien van de ‘herwaardering van de factor kapitaal valt nauwelijks beweging waar te nemen.”31 Tot een revolutie in de verhouding tussen vennootschapsleiding en aandeelhouders hadden de aanbevelingen van de Commissie Peters dus niet geleid.