Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/6.2:6.2 Prospectief vertrouwen
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/6.2
6.2 Prospectief vertrouwen
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS459444:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Inherente verdeling van onderdelen van het strafproces
Vertrouwen dat op een toekomstige gebeurtenis is gericht – prospectief vertrouwen – is allereerst weer aan te wijzen bij de hoofdonderdelen van verschillende vormen van rechtshulp die uit de aard der rechtshulpvorm bij een bepaalde staat zijn ondergebracht en daar worden beoordeeld.
Zo vindt bij overdracht van strafvervolging na de overdracht de vervolging, die meestal uitmondt in een berechting en mogelijk een veroordeling en bestraffing, plaats in de overnemende staat. Bij het enkele bestaan van afgeleide rechtsmacht voor de overnemende staat kan daarbij aangaande de strafoplegging nog specifiek worden gewezen op de beperking in artikel 25 EVOS van de maximaal op te leggen straf tot het strafmaximum dat van toepassing is in de overdragende staat.
Ook bij uitlevering ter vervolging vinden de vervolging, berechting en mogelijke bestraffing in de toekomst plaats. Dat betekent bijvoorbeeld dat in de uitleveringsprocedure slechts een zeer beperkte toets van de schuld of onschuld van de opgeëiste persoon plaatsvindt. Bij uitlevering ter executie geldt dat alleen voor de tenuitvoerlegging van de straf.
Het laatstgenoemde rechtshulpinstrument lijkt weer op overdracht van executie. Bij overdracht van executie vindt de tenuitvoerlegging van de straf ook na de samenwerking plaats. Daarbij kan ook gewezen worden op de omzetting van de straf bij de exequaturprocedure. De eis dat de strafrechtelijke positie van de veroordeelde niet wordt verzwaard levert in veel gevallen ook weer beweringen daarover op van de staat van veroordeling, namelijk omtrent de datum dat de veroordeelde op vrije voeten zou zijn gekomen als hij gewoon zijn straf in de staat van veroordeling zou hebben uitgezeten. Dat laatste kan een vorm van vertrouwen opleveren die hypothetisch prospectief kan worden genoemd: het gaat om een toekomstige situatie die zich nimmer zal voordoen. Het is relevant dit te signaleren omdat de bewering over de toekomstige gebeurtenis dan dubbel speculatief is; immers gaat het niet alleen om een bewering op een moment dat het rechtsfeit zich nog niet heeft voorgedaan, hetgeen vaker het geval is, maar ook om een bewering over een rechtsfeit dat zich nooit voor zal doen. Hoewel dit in de concrete zaak op dat eerdere moment weinig verschil maakt, betekent dit hypothetische karakter wel dat zelfs van een meer abstracte evaluatie van de juistheid van beweringen van de andere staat geen sprake kan zijn. In andere gevallen is dat wel mogelijk: het is vrij eenvoudig om na te gaan of de Verenigde Staten toezeggingen dat een opgeëiste persoon niet de doodstraf zal krijgen gestand doet. Als de conclusie is dat dat niet zo is, dan kan dat gevolgen hebben voor het al dan niet afgaan op een dergelijke toezegging. Een dergelijke algemene toets van de betrouwbaarheid van de andere staat is voor de hiervoor hypothetisch prospectief genoemde beweringen niet zonder meer mogelijk.
Bij kleine rechtshulp ten slotte is doorgaans gegeven dat de berechting – met behulp van het op verzoek vergaarde bewijs – in de toekomst, na de samenwerking plaatsvindt. Waar het om de betekening van gerechtelijke stukken gaat, kan het variëren. Vaak gaat het om de betekening van de dagvaarding of oproeping. In dat geval vindt de berechting plaats in de toekomst. Ook een vonnis, arrest of een mededeling van het aanwenden van een rechtsmiddel door het Openbaar Ministerie kan echter in het buitenland worden betekend op verzoek van de staat van berechting. In dat geval heeft een deel van de berechting reeds plaatsgevonden. Veelal gaat na de betekening een appel- of cassatietermijn lopen. In zoverre is dan geen sprake van een voltooide berechting of onherroepelijke uitspraak en is er ook nog een (eventuele) verdere berechting die in de toekomst zal plaatsvinden. Deze vorm van rechtshulp heeft overigens een veel sterker accessoir karakter dan de meeste andere vormen van rechtshulp en het vertrouwensbeginsel speelt daarbij slechts een zeer beperkte rol, in elk geval in de zin dat een verzoek slechts zeer terughoudend wordt getoetst. Bij de betekening van gerechtelijke stukken is van toetsing in de praktijk niet of nauwelijks sprake. Bovendien vindt de toezending steeds minder plaats door middel van rechtshulpverzoeken en steeds vaker, in elk geval binnen Europa, door al dan niet aangetekende directe toezending.
Naleving van verplichtingen
Bij vertrouwen gericht op een toekomstige gebeurtenis kan verder worden gedacht aan de naleving van verplichtingen. Dat kunnen verdragsrechtelijke verplichtingen zijn, maar ook toezeggingen in het kader van een concreet verzoek. Naleving van de specialiteitsregel, de correcte behandeling van de verdachte, in het bijzonder in verband met een weigeringsgrond om redenen van humanitaire aard, het garanderen van de veiligheid van getuigen, het gebruik dat zal worden gemaakt van bewijs, de garantie dat tegen een vonnis verzet of hoger beroep openstaat, de teruglevering van een onderdaan om zijn straf uit te zitten na uitlevering ter vervolging, het bieden van een vrijgeleide, de toezegging dat de doodstraf niet zal worden toegepast en de beperking van de straf tot de feiten waarvoor uitlevering is toegestaan of tot het deel dat nog niet is ondergaan; het zijn alle in de toekomst gelegen verplichtingen, gebaseerd op een verdragsbepaling dan wel op een concrete toezegging of garantie, waar tot op zekere hoogte het vertrouwen op is gericht.
Beweringen over de toekomst
Sommige beweringen, vooral als zij vooruitlopen op het latere oordeel van bijvoorbeeld de zittingsrechter, kennen ook een prospectief aspect. Het gaat dan bijvoorbeeld om beweringen omtrent de strafbaarheid van bepaalde gedragingen, de vervolgbaarheid ervan, de uitvoerbaarheid van een vonnis, verjaring en het bestaan van bepaalde uitzonderingssituaties. Meestal betreffen beweringen voornamelijk, of in elk geval mede, gebeurtenissen die in het verleden hebben plaatsgevonden en kennen zij daarom ook of vooral een retrospectief karakter.
Voltooide versus dreigende mensenrechtenschendingen
Ook bij mensenrechtenverweren gaat het soms om een toekomstig gebeuren. Deels valt dat samen met aspecten die hiervoor zijn genoemd. De behandeling van de betrokkene na uitlevering ter executie van een straf of bij overdracht van een veroordelend vonnis, of de berechting na uitlevering of na overdracht van strafvervolging; het zijn voorbeelden van toekomstige situaties waarbij de mensenrechten in het geding kunnen komen (denk aan de artikelen 3 en 5 EVRM in verband met de detentie van de betrokkene of de artikelen 6 en 7 EVRM in verband met diens berechting). Soms kent een mogelijke mensenrechtenschending een hybride karakter. Als iemand buiten zijn aanwezigheid is berecht kan dat een schending van artikel 6 EVRM in het verleden opleveren, maar door het bieden van de verzetgarantie kan die alsnog worden opgeheven. Iets vergelijkbaars is te zien bij groot tijdsverloop: dat kan een schending van de redelijke termijn opleveren, maar bij voldoende redres wordt die schending opgeheven. Meer in het algemeen levert dat de vraag op in welke situaties een schending die deels al heeft plaatsgevonden nog afdoende geredresseerd kan worden en of dat betekent dat dat redres ook altijd overgelaten moet worden aan de rechter in de vreemde staat. Deze vragen worden zelfstandig behandeld bij de mensenrechtelijke dimensie.