De systematiek van de vermogensdelicten
Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/1.2:1.2 Onderzoeksvragen
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/1.2
1.2 Onderzoeksvragen
Documentgegevens:
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. bijv. De Jong 1996, p. 847 en Knigge/Wolswijk 2015, p. 74.
Vgl. bijv. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2653,NJ 2013, 437 m.nt. Keijzer (Tongzoen-arrest).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De hiervoor geschetste problemen leiden tot de volgende centrale onderzoeksvraag:
“Dient, mede gelet op de processuele implicaties, te worden vastgehouden aan de thans in het Wetboek van Strafrecht vastgelegde gedifferentieerde strafbaarstelling van vermogensdelicten?”
Met deze centrale onderzoeksvraag hangen een aantal deelvragen samen. In de literatuur wordt wel aangenomen dat de vermogensdelicten zogenoemde formele delicten betreffen.1 De eerste deelvragen zijn daarom:
“Wordt de vergaande differentiatie in de vermogensdelicten geheel verklaard door de keuze voor formele delictsomschrijvingen of spelen (daarnaast ook) andere factoren een rol? Wat is de ratio van de differentiatie?”
Wat betreft andere factoren kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat ruime strafbepalingen, waaronder veel gedragingen vallen, zo hun eigen problemen meebrengen. Een ruime strafbepaling brengt bijvoorbeeld het risico met zich mee dat te veel gedragingen strafbaar worden gesteld. Zo zou (hele rooskleurige) reclame mogelijk onder een ruime strafbaarstelling van bedrog kunnen vallen. Dat zou in strijd kunnen komen met de gedachte dat het strafrecht als ultimum remedium moet worden beschouwd. Ook straftoemeting kan vragen om een zekere vorm van differentiatie. Een ruime bepaling legt veel verantwoordelijkheid bij de rechter. Of dat wel of niet gewenst is, hangt mede samen met rechtspolitieke afwegingen. Een ander punt is dat in de maatschappij behoefte kan bestaan aan herkenbare kwalificaties van strafbaar gedrag. Iedereen weet (ongeveer) wat diefstal is. Daarvan afwijkende juridische kwalificaties kunnen daarbij soms op onbegrip stuiten.2
De Jong heeft er zoals gezegd op gewezen dat de jurisprudentie leert dat de oorspronkelijke scherpe onderscheidingen tussen de vermogensdelicten aan het vervagen zijn. Andere deelvragen zijn derhalve:
“Wat is er van het oorspronkelijke stelsel overgebleven in de jurisprudentie? Welke systeemvreemde elementen zijn daarin binnengeslopen? Zijn de grenzen tussen vermogensdelicten aan het vervagen?”
Mochten de grenzen tussen de vermogensdelicten inderdaad zijn vervaagd en mocht dit voor grote problemen zorgen, dan vraagt dat uiteraard om oplossingen. Een eerste mogelijke oplossing zou aanpassing van het materiële recht zijn. Een volgende deelvraag is daarom:
“Biedt een ander systeem een redelijk en werkbaar alternatief?”
Oplossingen hoeven niet alleen te worden gezocht in het materiële recht, maar kunnen ook worden gevonden in het formele recht. Dit brengt mij bij de volgende deelvragen:
“Welke consequenties heeft de differentiatie voor de procespraktijk? Kunnen de eventuele nadelen worden ondervangen door wijzigingen in het procesrecht?”