Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.6.4.3.3.2
4.2.6.4.3.3.2 Alternatief voor vergoedingsvoorwaarde
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291261:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bijl, noot bij HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-326/99, BNB 2002/396 (Stichting Goed Wonen I) en B.G. van Zadelhoff, ‘Verhuur van onroerend goed en BTW’, WFR 2002/333.
B.G. van Zadelhoff, ‘Verhuur van onroerend goed en BTW’, WFR 2002/333.
Brief Staatssecretaris van Financiën 21 maart 1995, nr. VB95/815, V-N 1995/1248, 22 en MvT, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 3, p. 11 en 16.
In de parlementaire geschiedenis is deze termijn door leden van de VVD-fractie geopperd (Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 4, p. 10).
MvT, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 3, p. 17 en NV, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 5, p. 17.
NV, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 5, p. 17.
Voor misbruik van recht is nodig dat de betrokken transacties in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden in de desbetreffende bepalingen in de Btw-richtlijn en de daarop gebaseerde nationale regelingen ertoe leiden dat in strijd met het doel van deze bepalingen een btw-voordeel wordt toegekend, de objectieve voorwaarde, en uit het geheel van objectieve voorwaarden blijkt dat het wezenlijke doel van deze transacties erin bestaat om een btw-voordeel te verkrijgen, de subjectieve voorwaarde (HvJ EG 21 februari 2006, zaak C-255/02, BNB 2006/170, m.nt. Bijl (Halifax e.a.)). In Nederland strandde de bestrijding van constructies met de vestiging van beperkte zakelijke rechten op onroerend goed ten behoeve van een gelieerde partij op de eerste voorwaarde (HR 31 augustus 1998, nr. 33.483, BNB 1998/354, m.nt. Van Hilten, r.o. 3.3.2 en HR 28 april 1999, nr. 33.482, BNB 1999/349, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.3.2). Bijl merkt in punt 14 van zijn noot bij het reeds aangehaalde Halifax-arrest op dat ‘dit arrest de mogelijkheid biedt om ten aanzien van veel constructies die de afgelopen 15 jaren zijn gebouwd tot misbruik van recht te concluderen’. Uit punt 15 van zijn noot blijkt dat Bijl hierbij ook het oog heeft op de constructies met de beperkte zakelijke rechten op onroerend goed waartegen de vergoedingsvoorwaarde van art. 3 lid 2 Wet OB een dam opwerpt. Die opmerking is niet zonder grond. Zo is in HvJ EU 22 december 2010, zaak C-103/09, BNB 2011/203, m.nt. Swinkels, r.o. 39 (Weald Leasing) een abnormaal lage vergoeding die niet in overeenstemming is met de economische realiteit van belang geacht voor de vraag of voldaan is aan de objectieve voorwaarde van misbruik van recht, terwijl in HvJ EU 22 november 2017, zaak C-251/16, BNB 2018/46, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 74 (Cussens e.a.) onder meer de gelieerdheid van partijen die een vastgoedtransactie verrichten van belang is geacht voor de vraag of voldaan is aan deze misbruikvoorwaarde.
D.B. Bijl, Onroerend goed omzetbelasting en overdrachtsbelasting, Deventer: Kluwer 1998, p. 72.
Beschikking van de Raad van 27 februari 2006, PbEG 2006, L 65/45.
De constructies met beperkte zakelijke rechten op onroerende goederen waaraan de vergoedingsvoorwaarde van art. 3 lid 2 Wet OB een einde heeft gemaakt, betroffen steeds constructies waarbij het beperkte zakelijke gebruiksrecht voor de duur van maximaal 10 jaar was gevestigd. Om die reden zou ervoor gekozen kunnen worden om alleen beperkte zakelijke rechten op onroerend goed met een zeer lange (resterende) looptijd gelijk te stellen met het onderliggende onroerend goed.1 Een dergelijk objectief criterium doet ook recht aan het doel van art. 15 lid 2 Btw-richtlijn. Een beperkt zakelijk recht dat het eigendomsrecht dicht benadert is veelal voor onbepaalde tijd of voor een lange duur gevestigd. Van Zadelhoff heeft in dit verband een termijn van minimaal 50 jaar geopperd, maar merkt terecht op dat wellicht zelfs met een kortere termijn kan worden volstaan.2 De duur van het beperkte zakelijke recht in de bestreden constructies met beperkte zakelijke rechten op onroerend goed hing immers samen met de herzieningsperiode voor onroerende goederen.3 Voor onroerende goederen en rechten daarop bedraagt deze termijn het jaar van ingebruikneming en de daaropvolgende negen boekjaren.4 Een (resterende) looptijd die aanzienlijk langer is dan deze herzieningsperiode, bijvoorbeeld 30 jaar of meer5, zou daarom in overweging genomen kunnen worden. De Staatssecretaris van Financiën heeft die optie als ontoereikend terzijde geschoven, omdat een beperking tot beperkte zakelijke rechten met een bepaalde duur ‘waarschijnlijk aanleiding zal geven tot nieuwe constructies’.6 Een minimumtermijn zou ‘geen garantie bieden dat een normale prijs in rekening wordt gebracht, zeker niet indien sprake is van gelieerde verhoudingen’.7 Voor zover mij bekend is dit een vrees waarvan de gegrondheid niet nader is onderzocht. Naar mijn mening verdient een onderzoek naar differentiatie op basis van de resterende looptijd van het beperkte zakelijke gebruiksrecht dan ook aanbeveling. Hierbij dient ook in aanmerking te worden genomen dat het leerstuk misbruik van recht door jurisprudentie van het Hof van Justitie een grotere betekenis heeft gekregen dan destijds in Nederland werd aangenomen8, terwijl in de meer recente jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Hoge Raad ook aan de wederkerigheid van prestatie en vergoeding hogere eisen worden gesteld (zie paragraaf 4.5).
Maar zelfs indien de vrees van de Staatssecretaris van Financiën gegrond blijkt te zijn, dan kan zij worden weggenomen door een minimumduur van het beperkte zakelijke recht op een onroerend goed gepaard te laten gaan met een objectivering van de vergoeding voor dit recht.9 Op grond van art. 80 lid 1 Btw-richtlijn kan Nederland de tegenprestatie voor de beperkte zakelijke gebruiksrechten op onroerende goederen vaststellen op de normale waarde indien de bedongen vergoeding lager is dan deze waarde en de afnemer niet volledig aftrekgerechtigd is. Deze objectivering van de vergoeding is toegestaan indien tussen partijen familie- of andere nauwe persoonlijke, bestuurlijke, eigendoms-, lidmaatschaps-, financiële of juridische banden bestaan zoals omschreven door de lidstaat. Deze opsomming van banden, die Nederland één-op-één zou kunnen overnemen, is zo ruim dat naar het mij voorkomt alle relaties tussen partijen die de vergoeding voor een beperkt zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed kunnen beïnvloeden hieronder gerangschikt kunnen worden. Een minimumduur van beperkte zakelijke rechten in combinatie met de objectivering van de vergoeding voor deze rechten kan derhalve de garantie geven dat ook in gelieerde verhoudingen btw wordt geheven over een normale prijs. Omdat Nederland bij beschikking van 27 februari 200610 reeds gemachtigd is tot het invoeren van een dergelijke maatregel, is het naar mijn mening niet noodzakelijk om het Btw-comité van deze objectivering van de vergoeding in kennis te stellen.11