Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.7
7.7 Relevante faciliteiten in de omzetbelasting
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633490:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zesde Richtlijn van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting Gemeenschappelijk stelsel van belastingen over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (77/388/EEG).
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, inwerkingtredingsdatum 1 januari 2007; zoals laatst gewijzigd bij Pb EU 2019 L83.
Zie daarvoor onder meer HvJEU, 1 april 1982, Hong Kong Trade Zaak C 89/81, ECLI:EU:C:1982:121; HvJEU 3 maart 1994, Tolsma Zaak C 16/93, ECLI:EU:C:1994:80;HvJEU 26 mei 2005, Kingscrest Zaak C 498/03, ECLI:EU:C:2005:322.
HvJEU 3 maart 1994, Tolsma Zaak C 16/93, ECLI:EU:C:1994:80, r.o. 14; HvJEU 21 maart 2002, Kennemer Golf, C-174/00, EU:C:2002:200, r.o. 39, en HvJEU 3 september 2009, RCI Europe, C-37/08, EU:C:2009:507, r.o. 24.
Kamerstukken II 1985/86, 19 200, hfdst. IX B, nr. 34, p. 2.
HvJEU 3 maart 1994, Tolsma Zaak C 16/93, ECLI:EU:C:1994:80, r.o. 14, 19 en 20.
Zie voor voorbeelden hiervan Van Driel & Ligthart - De Bruin 2017, p. 7-11.
Kamerstukken II 1985/86, 19 200, hfdst. IX B, nr. 34, p. 2.
Hoge Raad 22 maart 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4011, BNB 1990/91, r.o. 4.5 en Hof Amsterdam 16 november 1987, r.o. 5.2 en 5.3, zoals opgenomen in Hoge Raad 22 maart 1989: De Kerk van Satan presenteerde zich als een kerkgenootschap, maar hield zich volgens de rechter bezig met verrichtingen van seksueel-erotische aard - tegen betaling van een toegangsprijs - die in het maatschappelijk verkeer niet als verrichtingen van religieuze aard worden beschouwd.
HvJEU 10 juli 2008, Fiscale eenheid Koninklijke Ahold NV, nr. C-484/06, ECLI:EU:C:2008:394, r.o. 36.
Omzetbelasting wordt geheven ter zake van handelingen die beschreven worden in artikel 1 Wet OB 1968. Tot die handelingen behoren onder meer leveringen van goederen en diensten, die in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer onder bewarende titel worden verricht (art. 1, sub a Wet OB 1968). De systematiek en de interpretatie van deze wet zijn voor een belangrijk deel bepaald door de Zesde btw-richtlijn1 en zijn opvolger, de btw-richtlijn,2 die als doel hebben de btw-heffing binnen de EU te harmoniseren. De Wet OB 1968 bevat geen verwijzing naar de anbi-definitie in artikel 5b AWR. Dit is omdat het bij btw gaat om naar het Unierecht uit te leggen begrippen, waarbij een nationale definitie, zoals de Nederlandse anbi-definitie in de AWR, niet relevant is.3
Voor de vraag of een entiteit belastingplichtig is voor de omzetbelasting, is bepalend of die entiteit als btw-ondernemer kwalificeert (art. 7 Wet OB 1968). In de bewoordingen van artikel 9 btw-richtlijn gaat het om ’eenieder die zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit’.
Het is vaste rechtspraak van het HvJEU dat een dienst enkel ‘onder bezwarende titel’ wordt verricht, en dus enkel belastbaar is, wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst.4
Rsli’s verrichten veelal activiteiten van religieuze en levensbeschouwelijke aard (zoals erediensten en bezinningssamenkomsten).5 Deze activiteiten zijn niet op ruil gericht en worden in beginsel niet verricht ‘onder bezwarende titel’. Dit is volgens het HvJEU ook niet het geval als de verrichter van de prestatie om geld vraagt en mag verwachten zekere bedragen te ontvangen, mits deze bedragen volstrekt vrijwillig en willekeurig worden gegeven, terwijl de hoogte ervan niet bepaald of bepaalbaar is.6 De inkomsten van rsli’s bestaan veelal uit giften en erfrechtelijke verkrijgingen, die dus geen tegenprestatie vormen voor een prestatie van de instelling aan de donateur/erflater.
Van btw-ondernemerschap bij rsli’s kan bijvoorbeeld wel sprake zijn bij activiteiten als verkoop van roerende zaken, niet-incidentele zalenverhuur tegen marktconforme vergoeding en tegen betaling verzorgen van catering.7 In de Notitie inzake de fiscale behandeling van kloosterlingen en kerkgenootschappen wordt dan ook opgemerkt dat een brouwerij van een kerkgenootschap voor de heffing van de omzetbelasting en van de bieraccijns niet anders wordt behandeld dan een particuliere brouwerij.8 De Hoge Raad volgde dan ook Hof Amsterdam in zijn oordeel dat de prestaties van een kerkgenootschap die in het maatschappelijk verkeer tegen vergoedingen worden verricht, onderworpen zijn aan de heffing van omzetbelasting.9
Voor zover een instelling een belastbare handeling verricht, zou er voor de omzetbelasting geen onderscheid in fiscale behandeling tussen rsli’s onderling of tussen rsli’s en andere anbi’s moeten zijn op grond van het neutraliteitsbeginsel. Dit beginsel is volgens het HvJEU de uitdrukking van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de btw.10
7.7.1 Vrijgestelde btw-prestaties7.7.2 Verlaagd btw-tarief7.7.3 Toetsing relevante faciliteiten omzetbelasting