Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/4.3.2
4.3.2 Lomé III Overeenkomst en LGO-besluit V
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181186:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 12 december 1990, gevoegde zaken C-100 & 101/89 (Kaefer en Procacci), Jur. I-4667.
Art. 176 LGO-besluit uit 1986 luidt: “Wat de regeling inzake vestiging en dienstverlening betreft, behandelen de bevoegde instanties van de landen en gebieden de onderdanen en vennootschappen uit de Lid-Staten niet discriminerend. Indien een Lid-Staat voor een bepaalde werkzaamheid niet in staat is aan onderdanen of vennootschappen van de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden of het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland die in een land of gebied zijn gevestigd, alsmede aan de vennootschappen die onder de wetgeving van het betrokken land of gebied vallen en die aldaar zijn gevestigd, voordelen van dezelfde aard toe te kennen, is de bevoegde instantie van dit land of gebied evenwel niet gehouden deze behandeling toe te kennen.”
HvJ EU 12 december 1990, gevoegde zaken C-100 & 101/89 (Kaefer en Procacci), Jur. I-4667, r.o. 3.
Ibid.
Idem, r.o. 4.
Ibid.
Het Hof van Justitie lijkt met deze redenering impliciet aan te nemen dat, omdat een orgaan van de EEG (i.e. de Raad) het LGO-besluit vaststelt, het Hof van Justitie bevoegd is vragen te beantwoorden van de rechters van de LGO ten aanzien van dit LGO-besluit. Om deze reden vallen de LGO in deze context onder de term ‘rechterlijke instantie van de lidstaat’ in de zin van art. 177 EEG- Verdrag, aldus het Hof van Justitie.
HvJ EU 3 februari 1963, zaak 26/62 (Van Gend en Loos), Jur. I-3.
HvJ EU 12 december 1990, gevoegde zaken C-100 & 101/89 (Kaefer en Procacci), Jur. I-4667, r.o. 23.
Idem, r.o. 24.
Ibid.
Een andere, voor dit proefschrift relevante, zaak in deze periode betreft HvJ EU 12 december 1990, zaak C-263/88 (Commissie van de Europese Gemeenschappen vs. Franse Republiek), Jur. I-4620. Dit geval betreft het verzoek van de Commissie aan het Hof van Justitie om vast te stellen dat de Franse Republiek art. 137 LGO-besluit 1980 jo. art. 176 LGO-besluit 1986 heeft geschonden door ‘niet de nodige maatregelen te treffen door onderdanen van een andere Lid-Staat, die in het bezit zijn van het ter zake vereiste Franse diploma, in staat te stellen zich als arts, verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, verloskundige, beoefenaar der tandheelkunde en dierenarts in Frans- Polynesië respectievelijk als dierenarts in Nieuw-Caledonië en onderhorigheden te vestigen of er diensten te verrichten’. De Franse regering daarentegen betoogt dat de niet-nakoming te wijten is aan de organisatorische structuur van het betreffende LGO. Het Hof accepteert deze redenering niet omdat het volgens het Hof van Justitie vaste rechtspraak is dat een lidstaat zich niet kan beroepen op nationale bepalingen, praktijken of toestanden teneinde een Unierechtelijke niet- nakoming te rechtvaardigen. Deze zaak illustreert treffend dat de nationale (staatsrechtelijke) overzeese verhoudingen niet in de weg kunnen staan aan de emancipatiegedachte achter het Unierecht. Zie ook: Laurent Tesoka, ‘Les statuts nationaux des outre-mers: Les pays et territoires d’outre-mer britanniques, danois, français et néerlandais’, in: Laurent Tesoka, Jacques Ziller, Union européenne et outre-mers. Unis dans leur diversité, Presses universitaires d’Aix-Marseille 2008.
HvJ EU 12 februari 1992, zaak C-260/90 (Leplat), Jur. I-00643, r.o. 4.
Ibid.
Idem, r.o. 10.
Idem, r.o. 18.
In HvJ EU 17 juli 1997, zaak C-97/95 (Pascoal & Filhos), Jur. I-4240, is aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag gesteld over art. 25 lid 3 LGO-besluit uit 1986. De vraag heeft betrekking op de uitleg van de term ‘resultaat van de controle’ die wordt gebruikt in de bepaling. Over deze term meent het Hof: ‘[…] dat een mededeling die door de autoriteiten van het land van uitvoer na controle achteraf van een certificaat EUR. 1 aan de autoriteiten van het land van invoer wordt gezonden en waarin zij slechts vaststellen, dat het betrokken certificaat ten onrechte is afgegeven en dus ongeldig moet worden verklaard, zonder de rechtvaardigingsgronden voor die ongeldigverklaring aan te geven, moet worden aangemerkt als ‘resultaat van de controle’ in de zin van art. 25, lid 3, van Bijlage II, en voorts, dat de autoriteiten van het land van invoer het recht hebben om enkel op basis van een dergelijke mededeling een procedure tot navordering van niet geheven douanerechten in te leiden, zonder een onderzoek in te stellen naar de werkelijke oorsprong van de ingevoerde goederen’. HvJ EU 17 juli 1997, zaak C-97/95 (Pascoal & Filhos), Jur. I-4240, r.o. 42.
De besprekingen over een nieuw ontwerpbesluit voor de LGO en een nieuwe Overeenkomst voor de geassocieerde staten hebben een aanvang genomen in het najaar van 1985.1 Zowel de Overeenkomst voor de geassocieerde staten als het LGO-besluit trad op 1 juli 1986 in werking.2 Beide regelingen komen grotendeels overeen met elkaar en kennen vrijwel identieke hoofdstukken op het gebied van handel,3 mijnbouw,4 industriële samenwerking,5 landbouwsamenwerking6 en financiële en technische samenwerking.7 Beide regelingen verstreken uiterlijk op 28 februari 1990.
Het was het LGO-besluit uit 1986 dat aanleiding vormde voor een van de eerste uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) inzake de LGO: de zaak tussen Kaefer en Procacci tegen de Franse staat.8Kaefer en Procacci betreft twee vragen die zijn gerezen in Frans-Polynesië – een Frans LGO – over art. 176 LGO-besluit uit 1986.9 Zowel de Duitse Kaefer als de Zwitserse Procacci vecht twee besluiten aan die zijn genomen door de Hoge Commissaris van de Franse Republiek in Polynesië. Het besluit inzake de afwijzing van Kaefers verzoek tot verlenging van zijn verblijfsvergunning is genomen op basis van een bepaling uit het Franse recht die het onmogelijk maakt om een toeristenvisum om te zetten in een verblijfsvergunning.10 Het besluit betreffende Procacci is genomen omdat Procacci na het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn visum onrechtmatig op het grondgebied van het Franse LGO is gebleven en in strijd met een Frans decreet tegen vergoeding werkte zonder in het bezit te zijn van een ticket voor de terugreis.11 Beiden hebben een verzoek ingediend bij de Polynesische bestuursrechter tot nietigverklaring van deze twee besluiten wegens schending van art. 176 LGO- besluit.12 Het Tribunal administratif de Papeete wendde zich tot het Hof van Justitie met de prejudiciële vraag over art. 176 LGO-besluit.13
Alvorens in te gaan op de gestelde vraag, besteedt het Hof van Justitie in de prejudiciële procedure enkele woorden aan de eigen bevoegdheid om uitspraak te doen in deze zaak. De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft namelijk het Hof van Justitie in overweging gegeven om zich onbevoegd te verklaren, omdat de Polynesische bestuursrechter niet kan worden aangemerkt als een rechterlijke instantie ‘van een der Lid-Staten’ in de zin van het oude art. 177 EEG-Verdrag, thans art. 267 VwEU. Omdat de Raad van de EEG de bevoegdheid heeft op grond van Deel IV EEG bepalingen vast te stellen voor de LGO, oordeelt het Hof van Justitie dat het bevoegd is bij wijze van een prejudiciële beslissing uitspraak te doen over vragen die zijn gesteld door de bestuursrechter van Frans-Polynesië.14 Op de – voor dit proefschrift relevante – vraag of art. 176 van het besluit van de Raad rechtstreekse werking heeft, heeft het Verenigd Koninkrijk middels een opmerking naar voren gebracht dat uit Van Gend en Loos15 volgt dat ‘rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht het gevolg is van het doel van het Verdrag, namelijk de economische integratie verzekeren in het kader van een gemeenschappelijke markt; het doel nu van het vierde deel van het Verdrag is niet een gemeenschappelijke markt tot stand te brengen of zelfs maar daartoe bij te dragen, doch de belangen van de inwoners van die landen en gebieden te bevorderen, teneinde ze tot ontwikkeling te brengen’.16 Zonder blijk te geven van enige aarzeling geeft het Hof aan dat dit argument van het Verenigd Koninkrijk niet kan slagen.17 Sinds het arrest Van Gend en Loos – zo vervolgt het Hof van Justitie – heeft het Hof van Justitie zich uitgesproken over rechtstreekse werking van bepalingen van overeenkomsten tussen de EG enerzijds en derde landen anderzijds. Bovendien, aldus nog steeds het Hof van Justitie, hebben de bepalingen van de besluiten van de Raad rechtstreekse werking en kunnen deze voor particulieren van een lidstaat rechten in het leven roepen, mits deze bepalingen voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk zijn.18 Duidelijk aan deze overwegingen is dat het Hof van Justitie een aantal basisprincipes die eigen zijn aan het gemeenschapsrecht uitbreidt naar de LGO. Een daarvan is dat rechterlijke instanties van de LGO worden beschouwd als rechterlijke instanties van de lidstaten met als gevolg dat het Hof van Justitie bevoegd is prejudiciële vragen van rechterlijke instanties uit de LGO te beantwoorden. De hierdoor te ontstane dialoog tussen de LGO-rechter en het Hof van Justitie maakt het mogelijk dat de LGO – zonder tussenkomst van de lidstaat waar zij staatsrechtelijk deel van uitmaken – afhankelijk zijn van ’s Hofs antwoord voor het in kwestie zijnde Europees- en overzeesrechtelijk geschil. Een tweede gevolgtrekking uit dit arrest is dat het concept van de rechtstreekse werking tevens van kracht is in de LGO. De ingezetenen van de LGO kunnen derhalve bepaalde Unierechten die onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk zijn, inroepen bij de overzeese rechterlijke instantie.19
Een andere zaak die zich voordeed in Frans-Polynesië is die van de in Papeete, Frans-Polynesië wonende Leplat. Leplat had bij het betreden van het grondgebied van Frans-Polynesië verschillende bedragen betaald aan fiscale invoerrechten, havenrechten en statistiekheffingen ter zake van de invoer van een voertuig dat van oorsprong uit Duitsland kwam. Deze betalingen waren volgens Leplat ongegrond.20 Om die reden heeft zij zich tot het Tribunal du paix de Papeete gericht met het verzoek Frans-Polynesië te veroordelen tot terugbetaling van deze bedragen. Daartoe voerde Leplat aan dat deze heffingen zijn te beschouwen als heffingen van gelijke werking zoals bedoeld in art. 133 EEG- Verdrag.21 Voordat het Hof van Justitie de vragen van de verwijzende rechter beantwoordt, wordt aandacht besteed aan de aard van de associatieregeling inzake de LGO. Aangegeven wordt dat algemene verdragsbepalingen ‘zonder uitdrukkelijke verwijzing niet op de landen en gebieden overzee van toepassing zijn’.22 Op de vraag of Deel IV EEG-Verdrag ook betrekking heeft op maatregelen van gelijke werking als douanerechten, geeft het Hof van Justitie aan dat een uitleg aan dat deel, waarbij de werkingssfeer ervan zou worden beperkt tot enkel douanerechten in enge zin, het door dit deel ingevoerde nuttig effect zou wegnemen. Indien Deel IV EEG-Verdrag geen betrekking zou hebben op maatregelen van gelijke werking als douanerechten, dan zou men gemakkelijk heffingen kunnen invoeren die geen douanerechten stricto sensu zijn, maar die dezelfde gevolgen hebben, aldus het Hof van Justitie.23 Dientengevolge oordeelt het Hof van Justitie dat ook maatregelen van gelijke werking – hoewel deze niet uitdrukkelijk in Deel IV EEG-Verdrag staan – dienen te worden aangemerkt als douanerechten. Het Hof van Justitie voert derhalve in het arrest Leplat enerzijds aan dat de rechtsregel met betrekking tot de werking van het Gemeenschapsrecht op de LGO is dat bepalingen zonder nadrukkelijke verwijzing niet van toepassing zijn aldaar, terwijl het anderzijds – omwille van het nuttig effect van Deel IV EEG-Verdrag – oordeelt dat heffingen van gelijke werking dienen te worden aangemerkt als douanerechten. Dat een uitdrukkelijke bepaling daartoe in Deel IV EEG-Verdrag ontbreekt, doet daar niet aan af. Anders gezegd: de hoofdregel inzake de toepasbaarheid van het Europees recht op de LGO – een nadrukkelijke verwijzing naar toepasbaarheid op de LGO – kan worden ingeperkt indien een enge interpretatie niet strookt met het nuttig effect van Deel IV EEG-Verdrag.24