Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/8.4.1.3
8.4.1.3 Teruggaven gestort kapitaal
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS459002:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 62.
Verslag Mondeling Overleg tevens Eindverslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 5380, nr. 33, blz. 28 lk.
In de casus van dit arrest leidde dit echter tot niets, aangezien de terugbetaling plaatsvond op agiobonusaandelen die een verkrijgingsprijs van ƒ nihil hebben. Een negatieve verkrijgingsprijs was echter niet mogelijk volgens de Hoge Raad.
Zoals hiervoor in de onderdelen 8.4.1.1 en 8.4.1.2 is aangegeven, staat de tekst van de soortgelijke regelingen van art. 20c, achtste en mijns inziens ook negende lid, Wet IB niet aan een toepassing van deze bepalingen in de weg in de situatie waarin de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen pas op een later tijdstip tot een aanmerkelijk belang gaan behoren.
Art. 20c, dertiende lid, Wet IB bepaalt uitdrukkelijk dat de verkrijgingsprijs wordt verminderd ingeval een teruggaaf van gestort kapitaal niet als regulier voordeel in aanmerking is genomen. Zoals in hoofdstuk 6, onderdeel 6.2.4 is uiteengezet, leidt een teruggaaf van gestort kapitaal niet tot een regulier voordeel als de teruggaaf minder bedraagt dan de verkrijgingsprijs van de aanmerkelijkbelangaandelen. In zoverre dient de verkrijgingsprijs dan ook met ditzelfde bedrag te worden verminderd.1 De oude aanmerkelijkbelangregeling kende niet een dergelijke specifieke regeling, doch tijdens de parlementaire behandeling van de Wet IB was terzake reeds opgemerkt dat bij een terugbetaling van kapitaal, gepaard gaande met een verlaging van het maatschappelijk kapitaal, de verkrijgingsprijs moest worden verlaagd met het bedrag van de kapitaalsrestitutie.2 In zijn arrest van 17 oktober 1984, BNB 1985/19 bevestigde de Hoge Raad de juistheid van deze zienswijze door te beslissen dat 'de terugbetaling (...) leidt tot een vermindering van de verkrijgingsprijs van de betrokken aandelen met het bedrag van de terugbetaling.'3 Kennelijk was men ter Ministerie van Financiën inmiddels van gedachten veranderd, nu in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling niet is volstaan met een soortgelijke opmerking, doch een specifieke bepaling dienaangaande in art. 20c Wet IB is opgenomen.
Gelet op de tekst van art. 20c, dertiende lid, Wet IB rijst de vraag of de vermindering van de verkrijgingsprijs met het onbelast gebleven gedeelte van de teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort ook geldt als de teruggaaf heeft plaatsgevonden toen de aandelen (nog) niet tot een aanmerkelijk belang behoorden, maar pas op een later tijdstip hiertoe zijn gaan behoren. Bij gebreke van een aanmerkelijk belang ten tijde van de teruggaaf was de regeling van art. 20c, dertiende lid, Wet IB destijds niet van toepassing. Blijkens de letterlijke tekst van art. 20c, dertiende lid, Wet IB lijkt dit echter niet het geval te zijn, aangezien art. 20c, dertiende lid, Wet IB specifiek verwijst naar de reguliere voordelen, waarvan destijds ten tijde van de teruggaaf (nog) geen sprake was.4 Een lek in de aanmerkelijkbelangregeling zou het gevolg zijn. Anderzijds zou hieruit kunnen worden afgeleid dat, nu de aandelen niet tot een aanmerkelijk belang behoorden op het moment van de teruggaaf van hetgeen op de (desbetreffende) aandelen was gestort, er ook nooit sprake kan zijn geweest van een regulier voordeel en de teruggaaf van hetgeen op de (desbetreffende) aandelen was gestort ook niet ingevolge art. 20c, dertiende lid, Wet IB behoeft te leiden tot een verlaging van de op de voet van art. 20c, vijfde lid, Wet IB in aanmerking te nemen verkrijgingsprijs. Van een lek in de aanmerkelijkbelangregeling is dan geen sprake. Deze zienswijze leidt er zelfs toe dat de verkrijgingsprijs van de inmiddels tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen ook wordt verlaagd met de teruggaaf van hetgeen op (desbetreffende) aandelen is gestort, als de teruggaafin de pre-aanmerkelijkbelangperiode tot belastingheffing heeft geleid ex art. 29, tweede lid, Wet IB, bijvoorbeeld omdat niet was voldaan aan de voorwaarden vermeld in dit artikellid en overigens sprake was van zuivere winst bij de vennootschap. De teruggaaf is dan immers niet als regulier voordeel in aanmerking genomen, doch als inkomsten uit vermogen, zodat de verkrijgingsprijs op grond van de letterlijke tekst van art. 20c, dertiende lid, Wet IB (toch) moet worden verlaagd. Dit zou wel erg zuur zijn voor de belastingplichtige: een belaste teruggaaf van hetgeen op de (desbetreffende) aandelen was gestort en ook nog een verlaging van de verkrijgingsprijs. Ik houd het er vooralsnog maar op dat art. 20c, dertiende lid, Wet IB wat ongelukkig is geformuleerd en de verkrijgingsprijs wel invloed ondergaat van de (eventueel onbelast gebleven) teruggaaf van hetgeen op de (desbetreffende) aandelen was gestort, toen de aandelen nog niet tot een aanmerkelijk belang behoorden. Dit betekent dat mijns inziens en in afwijking van de letterlijke tekst van art. 20c, dertiende lid, Wet IB de verkrijgingsprijs van de aanmerkelijkbelangaandelen niet wordt verlaagd als de teruggaaf van het op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal tot belastingheffing heeft geleid op de voet van art. 29, tweede lid, Wet IB. Heeft daarentegen geen belastingheffing plaatsgevonden over de teruggaaf van hetgeen op de (desbetreffende) aandelen was gestort op grond van art. 29, tweede lid, Wet IB, dan dient mijns inziens de verkrijgingsprijs wel te worden verlaagd. Deze interpretatieproblemen waren op voorhand voorkomen als art. 20c, dertiende lid, Wet IB niet uitsluitend naar de reguliere voordelen had verwezen, maar tevens naar het dividend, zoals dat wel het geval is in art. 20c, achtste lid, Wet IB (zie hiervoor onderdeel 8.4.1.1).