Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/2.2.3
2.2.3 Het grondrechtsobject op theoretisch en praktisch niveau
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457606:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Overigens lijkt het EHRM niet altijd bereid te zijn om daadwerkelijk onderzoek te doen naar het verband tussen een godsdienstige leer of traditie en de betreffende uiting of gedraging. In sommige zaken wordt zonder nadere motivering ontkend dat een bepaalde uiting of gedraging valt onder de reikwijdte van art. 9 EVRM. Een beroep hierop wordt dan afgewezen, zie bijvoorbeeld: EHRM 24 november 2009 (ontv.), nr. 16072/ 06 en 27809/08 (Brian Leonard and Friends v het Verenigd Koninkrijk en Countryside Alliance e.a. v het Verenigd Koninkrijk), par. 59; ECRM 27 februari 1979, nr. 7865/77 (Company X. v Zwitserland); EHRM 15 april 1996, nr. 20471/92 (Kustannus r.y. e.a. v Finland).
EHRM 12 april 2007, nr. 52435/99 (Ivanova v Bulgaria), par. 79.
EHRM (GK) 18 maart 2011, nr. 30814/06 (Lautsi v Italy), par. 59.
Zie hierover 17.4 uitgebreid.
De grondrechtsobjecten van artikel 9 EVRM en artikel 6 Grondwet hebben een theoretisch en een praktisch niveau. Dit geldt zowel voor de bescherming van het forum internum als voor het forum externum.
Laat ik dit eerst toelichten aan de hand van de bescherming van het forum externum. Uit de bewoordingen van artikel 6 Grondwet en artikel 9 EVRM kunnen we afleiden dat het forum externum gestalte krijgt in het belijden. Het belijden van godsdienst vindt plaats door uitingen of gedragingen van het rechtssubject. Deze worden pas als godsdienstige uitingen en gedragingen gekwalificeerd indien ze voortvloeien uit een godsdienst of levensbeschouwing. Wil een uiting of gedraging gekwalificeerd worden als godsdienstig of levensbeschouwelijk dan geldt dus dat er op theoretisch niveau sprake moet zijn van een ‘leer’ of ‘traditie’ die begrepen kan worden als een godsdienst en op praktisch niveau dat er sprake moet zijn van een uiting of gedraging die een uitwerking is van een godsdienstige leer of traditie.1 Indien bijvoorbeeld een moslima klaagt dat haar godsdienstvrijheid is geschonden vanwege een verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding op een openbare school, dan zal eerst nagegaan moeten worden of haar wens om gelaatsbedekkende kleding te dragen voortvloeit uit een leer of traditie die als godsdienst kan worden gekwalificeerd en vervolgens of deze gedraging een uitwerking is van deze godsdienst.
Ook de bescherming van het forum internum heeft een theoretisch en een praktisch niveau. Bij een beperking van of een inbreuk op het forum internum doet de kwalificatievraag zich echter veelal niet voor aan de kant van het grondrechtsobject. De reden hiervoor is dat het koesteren van een (geloofs-) overtuiging niet altijd publiekelijk kenbaar is, en indien deze kenbaarheid ontbreekt er simpelweg ook geen sprake van kwalificatie kan zijn. In plaats daarvan zou de kwalificatievraag dan kunnen spelen aan de kant van de staat (of in geval van horizontale werking een medeburger).2 Dit speelde bijvoorbeeld in de Lautsi-zaak die diende voor het EHRM. In deze Italiaanse zaak meende een moeder dat de Italiaanse staat de godsdienstvrijheid van haar kinderen schond omdat er in Italiaanse openbare scholen kruisbeelden ten toon werden gespreid. Zij stelde dat haar kinderen op deze manier werden geïndoctrineerd met christelijk gedachtegoed.3
Het theoretische niveau van de bescherming van het forum internum is in dergelijke gevallen dat moet worden bepaald of de uiting of gedraging (inbreuk) die is gedaan door de staat is ingegeven door een leer of traditie die als godsdienst kan worden gekwalificeerd en het praktische niveau is dan dat bepaald moet worden of de betreffende uiting of gedraging een uitdrukking is van een godsdienstige leer of traditie. Toegepast op de Lautsi-zaak betekent dit dat men eerst moet nagaan of het tentoonspreiden van kruisbeelden een gedraging is die is ingegeven door een leer of traditie die kan worden gekwalificeerd als godsdienst. Aangenomen dat men stelt dat het tentoonspreiden van kruisbeelden is ingegeven door de leer of traditie van het christendom en dat deze leer of traditie inderdaad gekwalificeerd kan worden als godsdienst, zal men vervolgens moeten nagaan of het tentoonspreiden van kruisbeelden een uitwerking is van de leer of traditie van het christendom. Dat dit geen uitgemaakte zaak is, bleek uit het verweer van de Italiaanse staat die stelde dat de tentoonspreiding van kruisbeelden in de klaslokalen onderdeel was van een algemene seculiere westerse cultuur en niet voortvloeide uit godsdienst. Om die reden zou er geen sprake zijn van indoctrinatie en daarmee ook niet van een schending van het forum internum.4
In de volgende twee subparagrafen komt aan de orde hoe in de wetsgeschiedenis en in standaardarresten invulling is gegeven aan het hierboven besproken theoretische (2.2.4) en praktische niveau (2.2.5) van het grondrechtsobject van de godsdienstvrijheid.