De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.4.0:3.4.4.0 Introductie
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.4.0
3.4.4.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS388007:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Verstraten 2016, p. 219.
Hamers, Schwarz & Zaman 2015, p. 319.
Zaman & Grapperhaus 2011, p. 9-17.
Verstraten 2016, p. 222-223.
Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 36.
Hamers, Schwarz & Zaman 2015, p. 320.
Hamers, Schwarz & Zaman 2015, p. 321.
Kok & Swaters 2007.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wettelijke regeling van de rechtsvorm coöperatie gaat, zoals ook aan de orde komt in hoofdstuk 5, terug tot 1876. De toepassing van de coöperatie is in de praktijk heel verschillend en heeft in de afgelopen jaren een flinke groei doorgemaakt.1 Van oorsprong werd zij veel gebruikt als rechtsvorm in de veehouderij (Melkunie), inkoop (supermarkt Coöp) en in de kredietverschaffing (Rabobank). Tegenwoordig is zij ook erg in trek als samenwerkingsvorm in de zorg en in het onderwijs.2 Daarnaast is ze inmiddels ook door beroepsbeoefenaren ontdekt.3
Op basis van artikel 2:53 BW is de coöperatie ‘een bij notariële akte opgerichte vereniging’ en dient zij zich blijkens haar statuten ten doel te stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen. De coöperatie is (dus) allereerst een samenwerkingsverband gericht op materieel voordeel (het drijven van een onderneming) van haar deelnemers (leden).4 De coöperatie is een bijzondere vorm van de vereniging maar wel een op zichzelf staande rechtspersoon. Via de schakelbepaling 2:53a BW is op de coöperatie, naast de specifieke bepalingen over de coöperatie zelf in artikel 2:53 e.v. BW, het verenigingsrecht van toepassing.5
De coöperatie heeft echter ook vennootschappelijke trekken: net als de kapitaalvennootschappen heeft zij rechtspersoonlijkheid en is daarmee zelfstandig rechthebbende van de tot haar vermogen behorende goederen. Toe- en uittreden van leden heeft op basis van de rechtspersoonlijkheid geen gevolgen voor de goederenrechtelijke positie van de coöperatie. Ook heeft zij eigen rechten en verplichtingen door het aangaan van overeenkomsten met derden of door het onrechtmatig handelen jegens derden: de coöperatie dient op basis van de rechtspersoonlijkheid op eigen naam naar buiten te treden en raakt dus zelf verbonden.6
Hoewel in buitenlandse rechtsstelsels de voor de coöperatie gecreëerde rechtsvorm wel wordt aangeduid als een vennootschap, heeft de Nederlandse wetgever er dus voor gekozen om de coöperatie als vereniging aan te merken. De belangrijkste reden hiervoor is dat, anders dan bij de kapitaalvennootschappen, het lidmaatschap van de coöperatie in de regel niet overdraagbaar is (artikel 2:34 lid 1 BW). Anders dan bij de maatschap is er daarnaast echter in beginsel geen persoonlijke aansprakelijkheid van de leden tegenover de schuldeisers. Slechts in geval van ontbinding (bij faillissement of vrijwillig) van de coöperatie kunnen de leden aansprakelijk zijn en slechts jegens de vereffenaar van de ontbonden coöperatie. Op grond van artikel 2:55 jo. 2:56 BW vestigt deze aansprakelijkheid geen persoonlijke aansprakelijkheid voor de nakoming van vorderingen van individuele crediteuren van de coöperatie, maar slechts een verplichting tot aanzuivering van het liquidatietekort jegens de rechtspersoon.7
Op deze en de overige aansprakelijkheidsregels die aan de orde zijn bij de coöperatie, wordt dieper ingegaan in paragrafen 3.4.4.3 tot en met 3.4.4.5.
De coöperatie heeft dus trekken van zowel de personenvennootschap (als samenwerkingsverband) als van de kapitaalvennootschappen (zijnde rechtspersonen).
Zoals ook uitgebreid besproken wordt in hoofdstuk 4 en 5, steunt de aantrekkelijkheid van de coöperatie kort samengevat op vier pijlers:
de civielrechtelijke bepalingen waaraan een coöperatie moet voldoen zijn flexibeler dan de bepalingen die gelden voor de kapitaalvennootschappen; de flexibiliteit is vergelijkbaar met die bij de maatschap;
het uitgangspunt bij de coöperatie is, in tegenstelling tot de kapitaalvennootschappen maar net als bij de maatschap, samenwerking;
de coöperatie heeft, in tegenstelling tot de maatschap maar net als de kapitaalvennootschappen, rechtspersoonlijkheid en dit brengt in beginsel beperkte aansprakelijkheid mee voor de leden;8
de coöperatie is fiscaal gezien op basis van de verlengstukwinstregeling, de dividendbelasting en de deelnemingsvrijstelling (in veel gevallen) aantrekkelijker dan de kapitaalvennootschappen.9
Dit zijn in het kort de redenen voor het feit dat de coöperatie steeds meer gebruikt wordt. Ook voor beroepsbeoefenaren is de coöperatie, in het kader van dit onderzoek, wellicht een interessante optie. Hieronder zullen daarom de consequenties van het gebruik van deze rechtsvorm voor de aansprakelijkheid van beroepsbeoefenaren (de betrokkenen) worden besproken.