Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/5.1.2:5.1.2 Kabelarresten
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/5.1.2
5.1.2 Kabelarresten
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS486712:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoge Raad 6 juni 2003, (Kabelarresten) ECLI:NL:HR:2003:AD3578.
Zie B. Wessels en R.G. Snouckaert van Schauburg, ‘Telecom-kabels zijn van rechtswege roerend’, WPNR 2000/6411, p. 533.
Kamerstukken II 2005/06, 29 834, 3, p. 2.
Hof ’s-Gravenhage 2 maart 2000, nr 98/3135. Het arrest is gedeeltelijk opgenomen in FBN 2000 (4) 20, met commentaar van O.P.N. Blom.
Art. 5:20 lid 1 sub e BW laatste zinsnede.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 2003 wees de Hoge Raad de Kabelarresten.1 In deze arresten stond de vraag centraal of een centrale antenne-inrichting (CAI) een roerende of een onroerende zaak is. Op 1 oktober 1996 waren zeven gemeentelijke CAI’s overgedragen door deze gemeenten aan een stichting voor ruim 93 miljoen gulden.2 Deze overdrachten waren een uitvloeisel van de liberalisering van de telecommunicatiemarkt in de jaren ’90.3 De stichting droeg vervolgens het kabelnetwerk over aan B BV. Nadien ontving de verkrijger van deze CAI’s een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting. Deze maakte bezwaar tegen de aanslag en stelde na het afwijzen van dit bezwaar hoger beroep in bij het Hof ’s-Gravenhage. Het Hof oordeelde dat de door B BV verkregen infrastructuur van de centraleantenne-inrichting bestaat uit een kabelnetwerk, dat met toestemming van de gemeente is aangelegd in grond die eigendom is van de gemeente en dat het kabelnetwerk dient te worden aangemerkt als een werk dat duurzaam met deze grond is verenigd in de zin van art. 3:3 BW.4 Op grond van art. 3:3 j° 5:20 BW oordeelde het hof dat de gemeente als eigenaar van de grond tevens eigenaar is van het kabelnetwerk. Voor wat betreft het kleine gedeelte van het netwerk dat zich in particuliere grond bevond oordeelde het hof dat deze door horizontale natrekking5 mede omvat werd door het kabelnetwerk.
De Hoge Raad bevestigde dat de infrastructuur onroerend is, omdat het kabelnetwerk moet worden aangemerkt als een werk dat duurzaam is verenigd met de grond in de zin van art. 3:3 lid 1 BW, maar ging niet mee in het oordeel van het Hof dat deze op grond van art. 5:20 lid 1 sub e BW in eigendom toebehoorde aan de eigenaar van de grond. De Hoge Raad oordeelde dat nu de stichting gemachtigd was tot de aanleg, instandhouding en exploitatie van de infrastructuur en dat de stichting in eigen beheerde centraleantenne-inrichting exploiteerde de stichting als eigenaar van de infrastructuur aan te merken was op grond van art. 36 Wet op de Telecommunicatievoorzieningen (hierna: Wtv). De Hoge Raad stelde dat uit de wetgeschiedenis bij art. 36 Wtv blijkt dat het eerste lid hiervan buiten twijfel stelt dat de kabels niet door middel van natrekking eigendom zouden worden van de eigenaar van de grond. Hoewel de uitzondering op grond van de wettekst slechts zou gelden voor de “houder van een concessie” (welke hoedanigheid de stichting niet bezat), oordeelde de Hoge Raad dat er geen grond bestaat de in art. 36 Wtv niet ook van toepassing te verklaren op andere personen die op grond van de verruiming van de wettelijke mogelijkheden om netwerken aan te bieden in een vergelijkbare positie kwamen te verkeren als de houder van een concessie.
Art. 5:20 lid 1 BW stelt: “de eigendom van de grond omvat, voor zover de wet niet anders bepaalt [..]”. Art. 36 Wtv dient volgens de Hoge Raad gezien te worden als zo een uitzondering als bedoeld in de eerste zin van art. 5:20 lid 1 BW, zodat de stichting aan te merken was als eigenaar.