Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/5.3.2.3
5.3.2.3 Botsende benaderingen
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS414515:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hetzelfde geldt naar mijn idee wanneer de derde partij de verhuur van de fabriek, de machines en de inventaris aan de overdragende partij had gestaakt om deze vervolgens te gaan verhuren aan de verkrijgende partij. Deze situatie had zich hooguit tussen de overdragende en verkrijgende partij kunnen voordoen door de overdracht van het huurcontract als onderdeel van de bedrijfsoverdracht. In dat geval was dat contract één van de onlichamelijke zaken geweest waarvan de vraag is of met betrekking tot de overdracht ervan (dat wil zeggen de contractsoverneming) heffing achterwege kan blijven op grond van artikel 19 Btw-richtlijn. De doorlopende verhuurdienst (van de derde partij aan de verkrijgende partij) kan naar mijn idee niet op grond van artikel 19 Btw-richtlijn buiten de heffing blijven.
Uiteraard kan bij het besproken voorbeeld de vraag worden opgeworpen of de verkoop van het fabriekspand, de machines en de inventaris door C aan B (eveneens) binnen de reikwijdte van de geruisloze overgang kan vallen. Vanuit de objectbenadering lijkt dat zeer wel mogelijk. Gesteld kan worden dat de lichamelijke en eventueel onlichamelijke zaken die tezamen de verhuuronderneming van C vormen als geheel worden overgedragen aan de verkrijger die de bestanddelen van deze onderneming gebruikt om een fabriek te gaan exploiteren. Hiermee wordt duidelijk waar de keuze voor de objectbenadering boven de subjectbenadering (of vice versa) toe leidt. De overdracht van grondstoffen en de handelsnaam van A naar B kan vanuit de subjectbenadering worden aangemerkt als een geruisloze overgang en hetzelfde geldt vanuit de objectbenadering voor de overdracht van het fabriekspand en inventaris door C aan B. Het hanteren van een definitie die toepassing in beide verhoudingen mogelijk maakt lijkt echter moeilijk voorstelbaar. Wanneer de overdracht van het fabriekspand, de machines en de inventaris door de verkrijger wordt gezien als de overdracht van een onderneming, wordt het naar mijn idee moeilijk te beargumenteren dat diezelfde overdracht een omstandigheid vormt die aantoont dat tussen de overdrager en de verkrijger ook een onderneming wordt overgedragen. Daarbij blijft vooropstaan dat de fabriek die vóór de overdracht wordt geëxploiteerd door de overdrager ná de overdracht op gelijke wijze wordt geëxploiteerd door de verkrijger. De verkrijger treedt in de plaats van de overdrager.1 Dat feit maakt dat de toetsing van het al dan niet toepasselijk zijn van het niet-leveringsbeginsel wellicht juist in die verhouding voor de hand ligt.
Vanzelfsprekend komt nu de vraag op welke benadering de voorkeur heeft. Om die vraag te beantwoorden ga ik eerst in op de rechtspraak van het Hof van Justitie. Vervolgens bespreek ik de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt. Daarna onderzoek ik welke invloed de keuze voor een benadering heeft voor de definitie en toepassingsvoorwaarden van de overgang van een algemeenheid van goederen.
Figuur 4. Gevolgen van het onderscheid tussen de objectbenadering en de subjectbenadering. Tussen A en B lijkt toepassing van de geruisloze overgang mogelijk vanuit het perspectief van het subject, tussen C en B vanuit het perspectief van het object.