Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.2.1
3.4.2.1 Vertegenwoordiging van de maatschap
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS387993:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De maatschap heeft overigens wel procesbevoegdheid en ook een afgescheiden vermogen. Zie o.a. HR 5 november 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB7103, NJ 1977/586 (Moret Gudde Brinkman) en HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251, JOR 2015/181 (Bepro). Voor een uitgebreide bespreking zie paragraaf 3.4.2.3 van dit hoofdstuk en hoofdstuk 5 van dit onderzoek.
Kingma 2013, p. 218.
Van Wijk 2013, p. 128.
Mohr & Meijers 2013, p. 189.
Een stilzwijgend optreden zal echter niet snel mogen worden aangenomen. Asser/Van Olffen 7-VII*, nr. 105.
HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521.
Of sprake is van baattrekking valt niet altijd gemakkelijk te beoordelen. Huizink betwijfelt zelfs of deze uitzondering op de regels van volmacht wel een redelijke grond heeft, zie Huizink 2014, p. 30. Uit het arrest Dieselgarage II blijkt dat van baattrekking sprake is als de onbevoegd verrichtte transactie uiteindelijke voordelig blijkt te zijn geweest voor de maatschap; de gehele transactie moet financieel gesproken voordelig zijn geweest (HR 13 juni 1958, ECLI:NL:HR:1958:BG9454, NJ 1958/352, AA 1958/1959, m.nt. Dorhout Mees). Zie ook Mohr & Meijers 2013, p. 96.
Van schijn van volmacht is sprake als er door alle overige maten bij een derde het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de handelende maat vertegenwoordigingsbevoegd was. Dit is bijvoorbeeld het geval als een maat elke week goederen inkoopt bij dezelfde leverancier en dat ook doet tijdens zijn vakantie. Als de overige maten dan niet aan de leverancier doorgeven dat de betreffende maat met vakantie is, mag de leverancier op basis van het gewekte vertrouwen ervan uitgaan dat de handelende maat ook dit keer bevoegd is.
Bekrachtiging kan uitdrukkelijk of stilzwijgend plaatsvinden en hiermee krijgt de onbevoegd verrichtte handeling hetzelfde gevolg dat zou zijn ingetreden wanneer de handeling krachtens volmacht was verricht.
Een maatschap heeft geen rechtspersoonlijkheid en dat betekent dat zij geen zelfstandig drager van rechten en plichten kan zijn.1 Wanneer men spreekt over een verplichting (c.q. verbintenis) van de maatschap wordt hiermee in feite dus een verplichting (c.q. verbintenis) van de gezamenlijke vennoten bedoeld.2 De maten van de maatschap kunnen bepalen dat een overeenkomst wordt gesloten ‘in naam van de maatschap’. Het doel is dan dus om de maatschap (lees: alle vennoten) te binden. Dit kan zowel bij de openbare als bij de stille maatschap. Bij de openbare maatschap wordt de overeenkomst in dit geval (logischerwijs) getekend op (de gemeenschappelijke) naam van de openbare maatschap. Bij de stille maatschap moet een overeenkomst worden gesloten door ieder van de maten op eigen naam.3 Dit is ook logisch; stille maatschappen kunnen door derden immers niet als samenwerkingsverband worden herkend nu er geen sprake is van een gemeenschappelijke naam.
De regels over vertegenwoordiging van de (zowel stille als openbare) maatschap staan in artikel 7A:1679 BW en 7A:1681 BW.
Op grond van deze bepalingen handelt een maat van de maatschap in beginsel voor zichzelf en bindt hij ook alleen zichzelf. Wanneer hij zijn medematen (c.q. de maatschap) wil vertegenwoordigen en dus wil binden, is hij hiertoe slechts bevoegd indien hij hiertoe van de andere maten, uitdrukkelijk of stilzwijgend,4 een volmacht heeft verkregen. Deze volmacht kan zowel in de vennootschapsovereenkomst (doorlopende volmacht) als incidenteel (per handeling) worden verleend.5 De algemene vertegenwoordigingsleer van Boek 3 BW (artikel 3:60 e.v. BW) is op deze volmachtsverlening en vertegenwoordiging van toepassing via de schakelbepaling van artikel 3:78 BW. Voor de stille maatschap geldt dat de handelende maat jegens de derde (uitdrukkelijk of stilzwijgend6), zoals gezegd, mede in naam7 van de andere maten zal moeten optreden. Hij zal zijn medematen moeten noemen om niet slechts zelf gebonden te raken aan de wederpartij (artikel 3:67 BW).
Wanneer een vennoot onbevoegd namens de maatschap handelt (dat wil zeggen: zonder volmacht of buiten de omvang van zijn volmacht), zal hij op grond van artikel 7A:1679 jo. 7A:1681 BW zelf gebonden zijn aan de overeenkomst. Bovendien zal hij op grond van artikel 3:70 jo. 3:78 BW jegens de derde te goeder trouw moeten instaan8 voor zijn volmacht en de schade die de derde door de onbevoegde vertegenwoordiging lijdt moeten vergoeden.9
Er is een aantal gevallen denkbaar waarin, ondanks het ontbreken van een volmacht (en er dus sprake is van onbevoegde vertegenwoordiging) toch gebondenheid ontstaat voor de maatschap. Dit is het geval indien:
de maatschap gebaat is door de onbevoegd verrichte rechtshandeling (artikel 7A:1680 BW);10
de derde te goeder trouw is afgegaan op de door de andere vennoten (achtermannen) gewekte en aan hen toerekenbare schijn van volmacht (artikel 3:61 lid 2 BW);11
de onbevoegde rechtshandeling uitdrukkelijk of stilzwijgend is bekrachtigd door de andere maten (artikel 3:69 BW);12
zaakwaarneming heeft plaatsgevonden (6:198 e.v. BW).
In deze gevallen en uiteraard wanneer een vennoot de maatschap bevoegd heeft vertegenwoordigd, ontstaat er een verbintenis voor de maatschap. Wie er voor deze verbintenis vervolgens aansprakelijk is en hoe deze aansprakelijkheid in elkaar zit, wordt besproken in de volgende paragraaf.