Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/4.5.1
4.5.1 Het pleitbare standpunt en objectieve werking
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS571163:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 mei 1992, BNB 1992/242, r.o. 3.4; HR 10 juni 1992, BNB 1992/275, r.o. 3.4.
HR 5 januari 2000, BNB 2000/85, ECLI:NL:HR:2000:AA4059, r.o. 3.9.
HR 2 maart 2012, BNB 2012/123, ECLI:NL:HR:2012:BP3858, r.o. 3.5. In dit arrest heeft de belastingkamer van de Hoge Raad niet overwogen dat het vervallen van de verzuimboete kan worden gebaseerd op afwezigheid van alle schuld. In HR 10 april 2015, BNB 2015/135, ECLI:NL:HR:2015:844, r.o. 2.3.2, een zaak over afwezigheid van alle schuld waarin niet kon worden gesproken van een pleitbaar standpunt, heeft zij echter wel verwezen naar het zojuist besproken arrest uit 2000 waarin het pleitbare standpunt tot afwezigheid van alle schuld heeft geleid.
Besluit van 9 november 2000, RTB 2000/2474M, BNB 2001/13. Dit besluit is vanaf 2007 opgenomen in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, Besluit van 21 maart 2007, CPP2006/2918M, V-N 2007/17.14, para 4 lid 3.
Belastingrechters zijn, in situaties waarin de inspecteur ten onrechte niet tot toepassing van de beleidsregels is overgegaan en de belastingplichtige geen beroep hierop heeft gedaan, namelijk niet verplicht om beleidsregels ambtshalve toe te passen, zie M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, Deventer: Kluwer 2014, p. 90.
Hof Amsterdam 22 januari 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AO5590, r.o. 5.5: “Het pleitbaar zijn van dit standpunt is echter naar het oordeel van het Hof geen reden om aan te nemen dat er zonder meer sprake is van het ontbreken van enige schuld (…)”; Hof Arnhem 27 april 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:AT6084, r.o. 4.6: “Het Hof deelt de visie (…) dat de aanwezigheid van een zogenoemd pleitbaar standpunt van een belanghebbende niet zonder meer ertoe leidt dat geen verzuimboete kan worden opgelegd”;, Rb. Haarlem 24 april 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BA6565, r.o. 4.8: “De rechtbank is op zichzelf van oordeel dat de aanwezigheid van een pleitbaar standpunt niet zonder meer ertoe leidt dat geen verzuimboete kan worden opgelegd.”; Rb. Breda 14 april 2008, ECLI:NL:RBBRE:2008:BD1204, r.o. 4.7-4.8; Rb. Haarlem 23 juli 2008, ECLI:NL:RBHAA:2008:BD8934, r.o. 4.28; Hof ’s-Gravenhage 7 mei 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1717, r.o. 7.7.2. Anders: Hof Amsterdam 12 december 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BC4176, r.o. 2.13.4.
A-G Van Hilten, conclusie van 5 februari 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL6471, r.o. 5.2.4: “Tussen het afwezig zijn van alle schuld en het dermate lichtvaardig handelen dat het aan grove schuld (…) te wijten is (…) ligt een grijs gebied. In dat grijze gebied kan wettelijk gezien geen vergrijpboete worden opgelegd. Het opleggen van een verzuimboete is evenwel niet uitgesloten, ongeacht de pleitbaarheid van het standpunt dat er toe leidde dat de belasting (…) niet (tijdig) is betaald. Een pleitbaar standpunt staat mijns inziens derhalve het opleggen van een verzuimboete niet in de weg.” F.J.P.M. Haas en D.N.N. Jansen, Fiscale boete onder de 4e tranche Awb, Deventer: Kluwer 2014, p. 72-73; F.J.P.M. Haas, Bestuurlijke boeten in het belastingrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 35. Zo ook de redactie van VakstudieNieuws onder HR 14 augustus 2009, V-N 2009/39.24 en HR 30 oktober 2009, V-N 2009/53.4: “In het boeterecht sluit de omstandigheid dat de belanghebbende een pleitbaar standpunt heeft theoretisch niet uit dat hij ter zake toch schuld heeft, zij het geen grove schuld.” Anders: A-G Van Ballegooijen, conclusie van 28 april 2005, ECLI:NL:PHR:2006:AT7227, r.o. 4.4.
De belastingkamer van de Hoge Raad heeft in 1992 in twee arresten geoordeeld dat een pleitbaar standpunt bij een boete zonder subjectief bestanddeel tot afwezigheid van alle schuld leidt.1 Hierbij heeft zij overwogen dat de omstandigheid dat de belastingplichtige een pleitbaar standpunt heeft ingenomen tot de gevolgtrekking noopte dat niet kan worden gezegd dat bij die belastingplichtige enige schuld aanwezig was aan het feit dat te weinig belasting was geheven. Dit oordeel heeft zij in 2000 herhaald.2 Voorts heeft de belastingkamer van de Hoge Raad in 2012 bevestigd dat een verzuimboete bij naheffing bij een pleitbaar standpunt zonder meer vervalt.3
Bij een verzuimboete lijkt het niet mogelijk om het pleitbaar standpunt verweer als een bewijsverweer op te vatten. De rechter heeft namelijk, voordat hij aan de beoordeling van de boete toekomt, in het kader van de beoordeling van de aanslag al vastgesteld dat de belastingaangifte onjuist is of de belastingbetaling ten onrechte niet of gedeeltelijk niet is gedaan. Hiermee is in beginsel tevens vast komen te staan dat de bestanddelen van de delictsomschrijving zijn vervuld.
Voordat de arresten in 1992 werden gewezen speelde in de literatuur een discussie of een beroep op afwezigheid van alle schuld in het fiscale boeterecht mogelijk was. Halverwege de jaren ’80 was immers duidelijk geworden dat de beginselen van art. 6 EVRM ook op fiscale boetes van toepassing zijn. Daardoor herleefde de discussie of het beginsel geen straf zonder schuld ook voor het fiscale boeterecht moest gelden. Tegen deze achtergrond kan de beslissing van de belastingkamer van de Hoge Raad worden verklaard om het pleitbare standpunt bij een boete zonder subjectief bestanddeel tot afwezigheid van alle schuld te laten leiden.
In alle zojuist genoemde zaken was, omdat de rechter in feitelijke instantie het standpunt van de belastingplichtige had gevolgd, niets vastgesteld over de feitelijke omstandigheden – zoals de overtuiging van de belastingplichtige dat de aangifte juist is of de daadwerkelijk betrachte maatregelen om te voorkomen dat de aangifte onjuist zou zijn – die normaal voor afwezigheid van alle schuld zijn vereist. De belastingkamer van de Hoge Raad lijkt derhalve ook bij verzuimboetes van objectieve werking uit te gaan. Ook de Staatssecretaris van Financiën in zijn hoedanigheid van uitvoerder van de wet heeft vanaf 2000 eerst bij een apart beleidsbesluit, later in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, bekendgemaakt dat bij een pleitbaar standpunt voor verzuimboetes zonder meer geen plaats is.4
Toch is, ondanks de zojuist besproken arresten en het beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën,5 in aantal uitspraken in feitelijke instantie geoordeeld dat een pleitbaar standpunt niet altijd tot het vervallen van de verzuimboete hoeft te leiden.6 Daarnaast is zowel door A-G Van Hilten als in de literatuur geconcludeerd dat het oordeel dat een belastingplichtige bij een pleitbaar standpunt geen grove schuld kan worden verweten, nog niet meebrengt dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt.7 De objectieve werking van het pleitbare standpunt wordt bij verzuimboetes derhalve niet als vanzelfsprekend beschouwd. In de volgende paragraaf wordt daarom onderzocht in hoeverre de objectieve werking van het pleitbare standpunt met de invulling van afwezigheid van alle schuld verenigbaar kan zijn.