Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.3.3.3
II.3.3.3 Vormgeving verleningsbevoegdheid
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS377651:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Stcrt. 1984, 79.
Vz. CBb 20 juli 1989, AB 1990/88 m.nt. Eijlander. Zie over deze uitspraak onder meer: Dieperink 2003, p. 57 en De Graaf en Marseille 2005, p. 317. Zie voorts voor soortgelijke overwegingen: CBb 23 november 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AZ4199 en CBb 30 december 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BN5523.
ABRvS 3 november 2010, JB 2011/4 m.nt. De Kam.
Voorts kan nog worden gewezen op ABRvS 30 december 1999, AB 2000/47 m.nt. Schreuder-Vlasblom. In deze uitspraak werd een aanvullende ongeschreven bevoegdheid tot intrekking aangenomen, ondanks dat de verleningsbevoegdheid een gebonden bevoegdheid was.
Vgl. Dieperink 2003, p. 57. Zij is van mening dat gebonden beschikkingen kunnen worden ingetrokken indien deze kennelijk onjuist zijn. Den Ouden stelt voor om in een algemene regeling inzake intrekking een bevoegdheid tot intrekking van onjuiste beschikkingen op te nemen welke zowel voor vrije als gebonden beschikkingen geldt, ‘zodat de discussie over de vraag of dat verschil (BdK: het verschil tussen vrije en gebonden beschikkingen) relevant is bij de intrekking van een onjuist besluit kan worden beëindigd’. Zie Den Ouden 2010, p. 698.
De wijze waarop de verleningsbevoegdheid is vormgegeven, is eveneens van belang voor de mogelijkheid om die beschikking in te trekken. Betwijfeld kan namelijk worden of het gebonden karakter van de verleningsbevoegdheid in de weg staat aan intrekking op grond van een buitenwettelijke bevoegdheid daartoe. Bij een gebonden bevoegdheid schrijft de wettelijke regeling dwingend voor in welke gevallen een beschikking al dan niet moet worden gegeven. Intrekking op grond van een ongeschreven bevoegdheid, dus buiten het stelsel van de wettelijke regeling om, komt daarmee in strijd. Desalniettemin biedt de jurisprudentie voorbeelden van gevallen waarin een gebonden beschikking werd ingetrokken op basis van een ongeschreven bevoegdheid. Dat blijkt bijvoorbeeld het geval te zijn wanneer de beschikking ten onrechte is gegeven. Een veel aangehaald voorbeeld biedt een uitspraak van de voorzitter van het CBb uit 1989. Het betrof een toekenning op grond van de Beschikking superheffing.1 De toekenningsbevoegdheid was een gebonden bevoegdheid en de Beschikking bood geen grondslag voor intrekking. De voorzitter van het CBb overweegt echter:
‘Verzoekers stelling, als zou sprake zijn van een gebonden beschikkingsbevoegdheid die verweerder geen ruimte biedt de begunstigende beschikking in te trekken, dient naar voorlopig oordeel te worden verworpen. Indien verweerder tot het oordeel komt dat door of namens hem rechten zijn toegekend hoewel daarop gezien de algemeen verbindende regeling geen aanspraak bestond, valt niet in te zien waarom hij niet bevoegd zou zijn – indien hij daartoe, mede uit het oogpunt van gelijke behandeling van veehouders in gelijke omstandigheden, al niet verplicht zou zijn – op zijn aanvankelijk begunstigende besluit terug te komen, ook zonder een daartoe strekkende wettelijke regeling. Of die bevoegdheid, mede gelet op de verstreken tijd en eventueel bij de veehouder bestaande verwachtingen, aan beperkingen en grenzen onderworpen is, hangt af van de concrete omstandigheden van het individuele geval.’2
Wanneer dus rechten zijn toegekend, waarop, gelet op de regeling waarop de beschikking steunt, geen aanspraak bestond, bestaat de bevoegdheid een beschikking die is gegeven op basis van een gebonden beschikkingsbevoegdheid in te trekken. Een ander voorbeeld biedt de hiervoor in paragraaf 3.2.2.1 aangehaalde uitspraak inzake de intrekking van het besluit tot toekenning van planschadevergoeding.3 De bevoegdheid tot toekenning van planschadevergoeding is een gebonden bevoegdheid4 en de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) zwijgt over de mogelijkheid tot intrekking van het toekenningsbesluit. Niettemin overweegt de Afdeling:
‘Aan het college kan in beginsel niet de bevoegdheid worden ontzegd om een besluit tot het toekennen van planschadevergoeding in te trekken of te wijzigen, indien achteraf blijkt dat deze ten onrechte is toegekend, zij het dat deze bevoegdheid wordt begrensd door algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel.’
Geen aandacht wordt besteed aan het feit dat sprake is van een gebonden beschikking.5 Wellicht is de gedachte dat het in de hiervoor besproken jurisprudentie ging om gevallen waarin de ingetrokken beschikking in strijd was met de van toepassing zijnde regelgeving doordat de geadresseerde bij zijn aanvraag onjuiste gegevens had verstrekt. Ingeval van een gebonden verleningsbevoegdheid komt een ten onrechte gegeven beschikking in strijd met het dwingende karakter van de toepasselijke wettelijke regeling. Betoogd zou dus kunnen worden dat een ongeschreven intrekkingsbevoegdheid voor de situatie waarin de beschikking in strijd met het recht is gegeven, juist tegemoet komt aan het dwingende karakter van een gebonden bevoegdheid.6