Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.3.3.2
II.3.3.2 Vormgeving intrekkingsbevoegdheid
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS375260:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Volgens Ortlep is zelfs sprake van een wettelijke trend tot verplichting. Zie Ortlep 2011, p. 290.
De burgemeester is bevoegd gezag op grond van art. 3 lid 1 DHw.
ABRvS 29 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9643. Zie in dezelfde zin: ABRvS 18 september 2002, AB 2003/159 m.nt. Klingenberg en ABRvS 13 mei 2009, Gst. 2009/106 m.nt. Kessen.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 4 april 1996, Gst. 1996/5 m.nt. Hennekens.
Het feit dat de intrekkingsbevoegdheid gebonden is, sluit zoals gezegd dus niet uit dat het bestuursorgaan over beoordelingsvrijheid beschikt. Op grond van artikel 31 lid 1 aanhef en onder d DHW staat het bijvoorbeeld wel ter beoordeling of sprake is van gevaar voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.
Zie over deze bepaling ABRvS 22 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5238.
Dat is ook het uitgangspunt in de Model Rules. Zie de artikelen III-35 en III-36 Model Rules
Zie bijvoorbeeld ABRvS 24 mei 2006, AB 2006/368 m.nt. Lam en ABRvS 10 oktober 2012, AB 2013/162 m.nt. Den Ouden.
Vgl. paragraaf 48 lid 2 eerste volzin VwVfG.
Zie hierover meer uitgebreid paragraaf 19.3.1.
Tegenwoordig: een omgevingsvergunning voor een inrichting als bedoeld in art. 2.1 lid 1 aanhef en onder e Wabo.
AGRvS 16 november 1990, AB 1991/163 m.nt. Michiels.
Het komt voor dat een intrekkingsbevoegdheid als gebonden bevoegdheid is vormgegeven.1 De regeling schrijft dan dwingend voor in welke gevallen de beschikking moet worden ingetrokken. Er is dan sprake van een imperatieve intrekkingsbevoegdheid. Een voorbeeld biedt artikel 31 lid 1 DHw. Indien zich een van de in dit artikel neergelegde intrekkingsgronden voordoet, is de burgemeester2 gehouden de vergunning in te trekken. Zo overwoog de Afdeling hieromtrent:
‘[…] dat het college gelet op de imperatieve formulering van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW gehouden was de drank- en horecavergunning in te trekken.’3
Indien zich een dergelijke situatie voordoet, heeft het bestuursorgaan niet de mogelijkheid intrekking achterwege te laten.4 Wanneer een intrekkingsbevoegdheid gebonden van aard is, dient het bestuursorgaan zich te beperken tot de vraag of aan de in de betreffende regeling neergelegde eisen voor intrekking is voldaan. Met andere woorden: het bestuursorgaan moet onderzoeken of aan de wettelijke normcondities is voldaan.5 Is dit het geval, dan bestaat, aldus ook voornoemde uitspraak, een verplichting de beschikking in te trekken. Voor enige belangenafweging is in een dergelijk geval geen ruimte. Nog beperkter in de uitoefening van een bevoegdheid is het bestuursorgaan, wanneer ingeval van een gebonden bevoegdheid tevens geen sprake is van relevante beoordelingsruimte. Een voorbeeld daarvan biedt art. 132 lid 2 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), waarin is bepaald dat het rijbewijs ongeldig wordt verklaard indien geen medewerking wordt verleend aan een van de in het eerste lid van dat artikel genoemde maatregelen.6
Een intrekkingsbevoegdheid is in de meeste gevallen vormgegeven als discretionaire bevoegdheid.7 Het bestuursorgaan dient dan ook, alvorens tot intrekking over te gaan, een belangenafweging te verrichten.8 Met andere woorden: ook al is aan de voorwaarden (normcondities) voor intrekking voldaan, het bestuursorgaan kan op basis van de belangenafweging tot het oordeel komen dat in een concreet geval van intrekking moet worden afgezien. Indien een van de in de intrekkingsregeling genoemde gronden zich voordoet, betekent dit dan ook niet dat het bestuursorgaan gehouden is om tot intrekking over te gaan. Een en ander is afhankelijk van de uitkomst van de belangenafweging. In de Model Rules is een en ander expliciet aangegeven. In art. III-35 en III-36 is bepaald dat het bevoegde orgaan tot intrekking mag overgaan. In het vierde lid van beide artikelen is nog eens benadrukt dat een belangenafweging moet worden gemaakt:
‘The public authority when exercising the power in this Article shall take into account the effect of the rectification or withdrawal on other parties and on third parties.’
In de toelichting wordt hierover opgemerkt dat zelfs wanneer sprake is van de intrekking van een onrechtmatige belastende beschikking, geen verplichting tot intrekking bestaat, maar dat het bevoegde orgaan ook dan nog beschikt over discretionaire ruimte.
In het Duitse stelsel is eveneens het uitgangspunt dat de intrekkingsbevoegdheid een discretionaire bevoegdheid is, waarbij in een concreet geval belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen. De beleidsvrijheid wordt soms echter in de betreffende bepalingen in vergaande mate beperkt wanneer de geadresseerde gerechtvaardigd heeft vertrouwd op het in stand blijven van de beschikking. Ingeval van gerechtvaardigd vertrouwen bepaalt het Verwaltungsverfahrensgesetz dat intrekking van bepaalde soorten beschikkingen in het geheel is uitgesloten.9 Wellicht dat een verklaring hiervoor wordt gevormd door de grondwettelijke basis van het vertrouwensbeginsel als onderdeel van het zogenaamde Rechtstaatsprinzip.10
Ter illustratie kan worden gewezen op een uitspraak van de Afdeling inzake de intrekking van een oude Hinderwetvergunning.11 Deze vergunning werd ingetrokken, omdat de inrichting ontoelaatbare schade toebracht aan een nabijgelegen natuurgebied. Toch was volgens de Afdeling terecht niet tot intrekking overgegaan:
‘Het vorenstaande betekent, gelet op de tekst van art. 26b eerste lid Hinderwet, echter nog niet dat de vergunning ook moet worden ingetrokken. Genoemd artikellid voorziet in een bevoegdheid voor verweerders, waarbij zij, naar het de Afd. voorkomt, op een zorgvuldige wijze de betrokken belangen dienen af te wegen alvorens te besluiten tot intrekking van de vergunning. Bij deze besluitvorming kan in dit geval niet worden voorbijgegaan aan de omstandigheid dat nog slechts korte tijd geleden de vergunningprocedure is afgerond, waarbij ook de te veroorzaken verzuringsschade in de overwegingen is betrokken, doch waar uiteindelijk in het bij de aanvrager gewekte vertrouwen aanleiding is gevonden de vergunning te verlenen. Gelet op deze omstandigheden is de Afd. van oordeel dat verweerders, bij afweging van alle betrokken belangen, tot het besluit hebben kunnen komen dat de rechtszekerheid in de weg staat aan intrekking van de vergunning’12