Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/1.2:1.2 Doel en benaderingswijze
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/1.2
1.2 Doel en benaderingswijze
Documentgegevens:
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS568686:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Geïnspireerd door A-G Groeneveld, conclusie van 2 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2003:AE4480, r.o. 5.5.
HR 22 september 1999, BNB 2000/122, ECLI:NL:HR:1999:AA2870, r.o. 3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het doel van dit onderzoek is het onderscheid in de behandeling van het pleitbaar standpunt verweer tussen het fiscale boete- en strafrecht te verklaren en een voorstel voor een eenduidige behandeling aan te reiken.
Hierbij heb ik de volgende benadering gehanteerd.
Tot nu toe heeft de belastingkamer van de Hoge Raad aan het oordeel dat een standpunt pleitbaar is, automatisch de consequentie verbonden dat opzet ontbreekt. Hierdoor is uit het zicht gebleven dat aan de beslissing op een pleitbaar standpunt verweer in de fiscale boetejurisprudentie eigenlijk niet één, maar twee beslissingen ten grondslag liggen: de beslissing op de vraag wanneer een standpunt pleitbaar is en de beslissing op de vraag wanneer een pleitbaar standpunt tot afwezigheid van opzet leidt.1
In dit onderzoek worden beide vragen afzonderlijk uitgewerkt. In hoofdstuk 2 wordt de eerste vraag beantwoord, de vraag onder welke voorwaarden een onjuist standpunt een pleitbaar standpunt vormt. In hoofdstuk 4 wordt de tweede vraag, de vraag wanneer een pleitbaar standpunt tot afwezigheid van opzet leidt, aan de hand van de huidige fiscale boete- en strafjurisprudentie beantwoord. In hoofdstuk 6 wordt aan de tweede vraag nog een keer aandacht besteed, maar dan om vast te stellen wanneer en hoe (wegens het ontbreken van opzet of op andere wijze) een pleitbaar standpunt zowel in het fiscale boete- als in het fiscale strafrecht tot straffeloosheid zou moeten leiden.
Volgens de belastingkamer van de Hoge Raad leidt een pleitbaar standpunt, zoals hiervoor opgemerkt, steeds tot het ontbreken van opzet. De strafkamer van de Hoge Raad heeft zich niet uitgelaten over de vraag wanneer een standpunt pleitbaar is, maar lijkt opzet bij een pleitbaar standpunt niet uit te sluiten. Het verschil tussen de pleitbaar standpunt jurisprudentie in het fiscale boete- en strafrecht lijkt derhalve in de beantwoording van de tweede vraag te zitten, de vraag naar de invloed van het pleitbaar standpunt begrip op de vaststelling van het opzet.
Om het verschil in invloed van het pleitbaar standpunt begrip op de vaststelling van het opzet te verklaren, wordt voorafgaand aan de bespreking van de tweede vraag in hoofdstuk 4 eerst in hoofdstuk 3 de invulling van het opzetbegrip in het fiscale boete- en strafrecht onderzocht, nog zonder acht te slaan op de pleitbaar standpunt jurisprudentie. Dit wordt op een bepaalde manier benaderd: de invulling van het opzetbegrip in zowel het fiscale straf-als in het fiscale boeterecht wordt aan de hand van strafrechtelijke beginselen en dogmatiek beoordeeld. De rechtvaardiging voor deze benadering is in hiervoor besproken aansluiting van het fiscale boeterecht op het strafrecht te vinden, alsmede in een arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad uit 1999 waarin voor de invulling van het opzetbegrip in het fiscale boeterecht wordt verwezen naar het strafrecht2 Door de invulling van het opzetbegrip in zowel het fiscale straf- als in het fiscale boeterecht aan de hand van dezelfde leerstukken te onderzoeken, wordt duidelijk welke verschillen er in de invulling van het opzetbegrip tussen het fiscale straf- en het fiscale boeterecht (hebben) bestaan.
Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 in het kader van de beantwoording van de tweede vraag, de vraag naar de invloed van het pleitbaar standpunt begrip op de vaststelling van het opzet, de huidige pleitbaar standpunt jurisprudentie geïnterpreteerd. Dat wordt gedaan door te bekijken welke rol de criteria die normaal voor de vaststelling van opzet gelden, spelen als er sprake is van een pleitbaar standpunt. Door zowel de fiscale boete- als de fiscale strafjurisprudentie op deze wijze te beoordelen zal duidelijk worden waardoor het verschil in de pleitbaar standpunt jurisprudentie is veroorzaakt.
De huidige jurisprudentie in het fiscale boeterecht houdt zoals eerder gezegd niet alleen in dat het pleitbare standpunt invloed heeft op de mogelijkheden om te beboeten, maar houdt zelfs in dat een pleitbaar standpunt steeds tot het ontbreken van opzet en daarmee tot straffeloosheid leidt. Voordat in hoofdstuk 6 aan het voorstel voor een eenduidige behandeling van het pleitbaar standpunt verweer in het fiscale boete- en strafrecht kan worden toegekomen, wordt in hoofdstuk 5 onderzocht welke principes aan deze jurisprudentie ten grondslag kunnen worden gelegd. Hiermee beoog ik een beeld te vormen van een passende, door die principes gerechtvaardigde, invloed van het pleitbare standpunt op de mogelijkheden om te beboeten en te bestraffen.
De in hoofdstuk 3 achterhaalde criteria voor de vaststelling van het opzet en de passende invloed van het pleitbare standpunt op de mogelijkheden om te beboeten en te bestraffen die in hoofdstuk 5 naar voren komt, vormen in hoofdstuk 6 de uitgangspunten voor het voorstel voor een eenduidige behandeling van het pleitbaar standpunt verweer door de belastingrechter en de strafrechter. De keuze voor deze uitgangspunten is ingegeven door het streven om tot een eenduidige behandeling te komen die met inachtneming van de strafrechtelijke beginselen en dogmatiek zo goed mogelijk is in te passen in de bestaande boete- en strafjurisprudentie.