Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/8.8.2
8.8.2 Algemene vergadering als vertegenwoordiger van de rechtspersoon
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS598499:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De statuten kunnen aan de algemene vergadering bevoegdheden toekennen tot het nemen van nog meer extern werkende besluiten.
Op mogelijkheden voor anderen dan de algemene vergadering om een deel van de bestuurders en/of commissarissen te benoemen, ga ik hier niet in. Zie art. 2:143/2:253 BW (commissarissen bij NV/BV); daarover: Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/507. Zie ook art. 2:37 lid 3 en 2:57a lid 1 BW (bestuurders en commissarissen van vereniging). Ook de getrapte of middellijke benoeming van bestuurders door de leden van de vereniging (art. 2:37 leden 2 en 5 BW; voor commissarissen van de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij art. 2:57a lid 1 jo art. 2:37 leden 2 en 5 BW) zal in dit werk niet aan de orde komen. Zie daarover Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 205-206 en p. 307-310.
Onder Wbtr komt art. 2:57a BW te vervallen.
De afdelingen inzake de vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij bevatten geen bepaling over de bevoegdheid tot het vaststellen van de bezoldiging van bestuurders (met uitzondering van art. 2:53a lid 2 BW, dat alleen betrekking heeft op de coöperatie die een bank is). Bij afwezigheid van een wettelijke of statutaire bepaling komt deze bevoegdheid mijns inziens op grond van art. 2:40 lid 1 BW toe aan de algemene vergadering.
Deze bepalingen gelden voor een coöperatie die een bank is.
Art. 2:135 BW wordt bestempeld als vertegenwoordigingsbepaling en het bezoldigingsbesluit als besluit met direct externe werking door Van Slooten & Zaal 2008, par. 4, casus 1. Instemmend: Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/329. Anders: Asser/Maeijer 2-III 2000/310.
Wbtr: art. 2:11 lid 1 BW.
Wbtr: art. 2:11 lid 8 BW.
Voor het ontslag van commissarissen van de coöperatie bevat de wet geen regeling. Uit de memorie van toelichting, TK 1986–1987, 19 775, nr. 3, p. 10, blijkt dat is beoogd met art. 2:57a BW ook ontslag en schorsing te regelen. Zie Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 260.
Onder Wbtr komt art. 2:57a BW te vervallen.
De wet bepaalt nergens uitdrukkelijk dat de bevoegdheid tot decharge toekomt aan de algemene vergadering, maar veronderstelt dit wel. Zie art. 2:49/2:101/2:210 lid 3 BW. Zie ook Quist 2011, p. 419-420.
Hoewel de wet niet rept van een besluit, zal de opdrachtverlening m.i. door een besluit moeten geschieden, nu de algemene vergadering slechts door middel van besluiten kan handelen. Vgl. Dortmond e.a. 2013, p. 512, die de opdrachtverlening aan de accountant door de rvc bestempelen als een “vertegenwoordigend besluit”.
Toelating van leden wordt bestempeld als besluit met directe externe werking door Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 248.
Wbtr: art. 2:9 lid 5 BW.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/431; Van Slooten & Zaal 2008, par. 2.
In HR 29 november 1996, NJ 1997/345 (Landinvest/Chipshol) overwoog de Hoge Raad dat de omstandigheid dat alleen de algemene vergadering van aandeelhouders de gedelegeerd commissaris kan benoemen en ontslaan, niet meebrengt dat het uitblijven van een ontslagbesluit niet als onrechtmatige daad aan de vennootschap zou kunnen worden toegerekend. Hetgeen gelaedeerde Chipshol aanmerkte als onrechtmatige handelwijze was echter niet het uitblijven van het ontslagbesluit op zich, maar het feit dat het bestuur van Landinvest niet bereid was tot het treffen van maatregelen – zoals het doen van een behoorlijk toegelicht ontslagvoorstel aan een daartoe bijeen te roepen algemene vergadering van aandeelhouders – die de gedelegeerd commissaris het verder fungeren of optreden beletten.
Aldus Van Schilfgaarde 2013/98, p. 318.
279. De algemene vergadering vertegenwoordigt de rechtspersoon jegens een wederpartij bij in ieder geval1 vijf typen besluiten:
besluiten die de rechtspositie van bestuurders en commissarissen wijzigen. Het betreft besluiten inzake:
benoeming van bestuurders (art. 2:37 lid 2 BW/2:132 lid 1 BW/2:242 lid 1 BW);2
benoeming van commissarissen (art. 2:57a jo 2:37 lid 2 BW/2:142 lid 1 BW/2:252 lid 1 BW);3
bezoldiging van bestuurders (art. 2:40 lid 1 BW4/2:53a lid 2 jo 2:135 lid 4 BW5/2:135 lid 4 BW/2:245 BW6);
bezoldiging van commissarissen (art. 2:57 lid 6 BW/2:145 BW/2:255 BW);7
schorsing en ontslag van bestuurders (art. 2:37 lid 6 BW/2:134 BW/2:244 lid 1 BW);
opheffing van de schorsing van een door de rvc geschorste bestuurder (art. 2:57 lid 3 BW/2:147 lid 2 BW/2:257 lid 2 BW);8
schorsing en ontslag van commissarissen (art. 2:57a jo 2:37 lid 6 BW9/2:144 lid 1 BW/2:254 lid 1 BW);10
decharge van bestuurders en commissarissen;11
het besluit tot verlening van een opdracht aan de accountant tot onderzoek van de jaarrekening (art. 2:393 lid 2 BW);12
besluiten die de rechtspositie van leden wijzigen (alleen bij de vereniging), zoals het toelaten van door het bestuur niet-toegelaten leden (art. 2:33 BW) en, indien statutair zo bepaald, ontzetting uit het lidmaatschap (art. 2:35 lid 4 BW);13
het nemen van een bestuursbesluit met direct externe werking wanneer alle bestuurders van de NV of BV een tegenstrijdig belang hebben en een rvc ontbreekt (art. 2:129/2:239 lid 6 BW);14
aanwijzing van een persoon als vertegenwoordiger in geval van tegenstrijdig belang bij een vereniging (art. 2:47 BW);15
aanwijzing van een bijzondere vertegenwoordiger ten behoeve van het instellen van een claw back-vordering (terugvordering van een bonus) bij de NV en de financiële onderneming (art. 2:135 lid 8 BW en art. 2:53a/2:245 lid 2 jo 2:135 lid 8 BW).
Adressaat van deze eenzijdige gerichte rechtshandelingen is de desbetreffende bestuurder, commissaris, accountant, lid of aangewezen persoon. Aanvaarding door de wederpartij zal soms nodig zijn om de overeenkomst tot stand te brengen die met het besluit wordt beoogd.16
280. De kennis van de algemene vergadering kan bijvoorbeeld relevant zijn voor de uitleg van de overeenkomst tussen de accountant, bestuurder of commissaris enerzijds en de rechtspersoon anderzijds. Men zou zich daarnaast kunnen voorstellen dat het de rechtspersoon niet wordt toegestaan een bestuurder te ontslaan wegens onoorbaar gedrag vóór zijn indiensttreding (en de daarmee samenhangende vrees voor reputatieschade van de rechtspersoon), indien de algemene vergadering ten tijde van de benoeming daarvan al op de hoogte was.
Andere gevallen waarin een handeling van de algemene vergadering in de relatie tot een wederpartij geldt als handeling van de rechtspersoon, komen mij niet voor de geest. Zo is mij geen geval bekend waarin een besluit van de algemene vergadering op zich – dus los van feitelijke handelingen die het bestuur of een andere functionaris op grond van dat besluit heeft verricht of nagelaten – werd aangemerkt als onrechtmatige daad van de rechtspersoon jegens een ‘echte derde’.17 Het nemen van de onder i-v opgesomde besluiten kan onder omstandigheden wel een onrechtmatige daad opleveren van de rechtspersoon jegens degene tot wie dat besluit is gericht.18