Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/5.3
5.3 De maatschap en samenwerking door beroepsbeoefenaren
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS386782:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dorresteijn & Van het Kaar 2012, p. 23.
Vgl. ook HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, NJ 2012/75 (Dierenartsenpraktijk).
Te onderscheiden van (o.a.) de rechtsfiguur van de arbeidsovereenkomst, Huizink 2014, p. 6. Zie hierover ook Kroeze, Timmerman & Wezeman 2013, p. 8 en Nijland 2015, p. 129.
Naast het onderscheid stil versus openbaar, bestaat er, zoals eerder in dit proefschrift al naar voren kwam, nog een belangrijk onderscheid dat een rol speelt bij de kwalificatie van een personenvennootschap: het verschil tussen beroep en bedrijf. Dit onderscheid is namelijk van belang om te kunnen bepalen of men met een openbare maatschap (waarin een beroep wordt uitgeoefend) of een vennootschap onder firma (bedrijfsuitoefening onder een gemeenschappelijke naam) te maken heeft. Ook de v.o.f. is een gekwalificeerde vorm van de maatschap. Het belang van het te maken onderscheid tussen de maatschap en de v.o.f. ligt in het feit dat als gevolg van de (gedeeltelijk) verschillende wettelijke regimes die van toepassing zijn op deze rechtsvormen, er onder meer andere regels gelden ten aanzien van de vertegenwoordiging en aansprakelijkheid van de maten van een maatschap en de vennoten van de v.o.f.: deze laatste rechtsvorm kent bijvoorbeeld een strenger aansprakelijkheidsregime voor de vennoten. Ook de commanditaire vennootschap is, zoals gezegd, aan te merken als een bijzondere, gekwalificeerde vorm van de maatschap. Dit betekent dat voor zover er geen specifieke regeling in het Wetboek van Koophandel te vinden is, de regels uit art. 7A:1655-1688 BW op deze rechtsvorm van toepassing zijn. Nu, zoals gezegd (en ook reeds in hoofdstuk 2 uitgebreid besproken), de vennootschap onder firma slechts gebruikt wordt voor de gezamenlijke uitoefening van een bedrijf en ook de commanditaire vennootschap vanwege zijn aard niet geschikt is voor gezamenlijke beroepsuitoefening, zullen deze rechtsvormen in dit proefschrift (en dus in dit hoofdstuk) buiten beschouwing worden gelaten en zal in dit hoofdstuk de juridische organisatiestructuur van de openbare maatschap als uitgangspunt worden genomen.
Dit onderscheid wordt overigens alleen gemaakt in de literatuur. Het blijkt niet uit de wet.
Waarop overigens de wettelijke bepalingen van art. 7A:1655 BW e.v. van toepassing zijn.
Dorresteijn & Van het Kaar 2012, p. 23.
De maatschap is de rechtsvorm die van oudsher wordt gebruikt door samenwerkende beroepsbeoefenaren en vormt, zoals gezegd, het uitgangspunt van de vergelijking. Het is de basis voor de drie contractuele samenwerkingsvormen, personenvennootschappen, die naar Nederlands recht worden onderscheiden. Alle personenvennootschappen zijn rechtsvormen die van nature gericht zijn op samenwerking. Een personenvennootschap komt immers tot stand door het sluiten van een overeenkomst totsamenwerking voor gemeenschappelijke rekening.1
Alle personenvennootschappen zijn een maatschap zoals omschreven in artikel 7A:1655 BW. Dit is ‘eene overeenkomst, waarbij twee of meer personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstane voordeel met elkander te deelen’. Wil een rechtsvorm als personenvennootschap kwalificeren, dan moet het dus altijd gaan om een overeenkomst. Er moet worden ingebracht en de rechtsvorm moet worden aangegaan met het oogmerk om het uit die overeenkomst en met die inbreng ontstane voordeel met elkaar te delen.
Dat het moet gaan om samenwerking blijkt niet direct uit de wettelijke omschrijving van de maatschap, maar dit is misschien wel het meest essentiële element op basis waarvan men de maatschap kan onderscheiden van andere duurverhoudingen waarin men met elkaar samenwerkt. Immers, ook een huisarts en zijn assistente, of een advocaat en zijn secretaresse, werken bij de uitvoering van hun werkzaamheden tot op zekere hoogte samen, maar bij een maatschap dient het te gaan om samenwerking op basis van – min of meer – gelijkwaardigheid,2 de zogenoemde affectiosocietatis: de wil tot samenwerking als compagnon, zonder dat er sprake is van ondergeschiktheid.3 Bovendien kiezen de partners bij het aangaan van de samenwerking voor elkaar vanwege elkaars specifieke persoonlijke kwaliteiten. De maatschap wordt intuitu personae (met het oog op de persoon) aangegaan; de maatschap is dus persoonsgebonden.
Wanneer een rechtsvorm voldoet aan de kwalificaties in artikel 7A:1655 BW en er daarmee sprake is van een maatschap (in de zin van: personenvennootschap) kunnen we daarbinnen nog een aantal soorten (of: gekwalificeerde) maatschappen onderscheiden. Het belangrijkste4 onderscheid in het kader van dit onderzoek is dat tussen de stille en de openbare maatschap.5 In het geval dat naar buiten toe niets blijkt van gezamenlijke beroeps- of bedrijfsuitoefening, spreekt men over een stille maatschap. Als de vennoten een beroep uitoefenen en onder een gemeenschappelijke naam naar buiten toe optreden, is er sprake van een openbare maatschap.6 In de praktijk werd en wordt de openbare maatschap met name gebruikt door de beroepsgroepen die in dit proefschrift centraal staan; het gaat om beroepsbeoefenaren waarbij persoonlijke dienstverlening voorop staat, zoals artsen, notarissen en accountants. De samenwerkende vennoten oefenen hun beroep dan uit onder een gemeenschappelijke naam en proberen door het bundelen van hun krachten tot de optimale uitvoering van hun werkzaamheden te komen. Het is de bedoeling dat hun samenwerking partijen ten voordele strekt.7 Ook de stille maatschap wordt gebruikt voor beroepsuitoefening, dit meestal in de vorm van een zogenoemde kostenmaatschap: alle beroepsbeoefenaren hebben (en houden) hun eigen praktijk (met eigen cliënten of patiënten) en behalen voordeel door het delen van de kosten van bijvoorbeeld het pand waarin zij hun werkzaamheden uitvoeren of het gezamenlijk inhuren van (secretariële) ondersteuning. Zij treden echter niet als samenwerkingsverband naar buiten toe op.