Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/2.4.3
2.4.3 De juiste interpretatie
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS415779:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie R. Dworkin, Justice for hedgehogs, Cambridge/Mass.: Harvard University Press 2011, blz. 99 e.v. Ik wijs erop dat deze paragraaf mijn interpretatie is van Dworkins interpretatie van het begrip ‘interpretatie’ in het licht van de doeleinden van mijn onderzoek. De draagwijdte van de theorie van Dworkin is meeromvattend en gecompliceerder.
Dworkin zegt over een persoon die zijn oude interpretatie van een gedicht heeft verlaten voor een nieuwe interpretatie: “Someone just converted to a new reading […] trembling with the excitement of discovery, thinks his new reading is right, that it is better than the one he has abandoned, that those yet uninitiated have missed something genuine and important, that they do not see the poem for what it really is. He thinks he has been driven by the truth, not that he has chosen one interpretation to wear for the day because he fancies it like a necktie.”
HvJ EU 30 mei 2013, nr. C-651/11, BNB 2014/113 (X bv).
Voorbeeld ontleend aan R. Dworkin, Justice for hedgehogs, Cambridge/Mass.: Harvard University Press 2011, blz. 76 e.v.
R. Dworkin, Justice for hedgehogs, Cambridge/Mass.: Harvard University Press 2011, blz. 76 e.v.
Zie bijvoorbeeld R. Posner, The Problems of jurisprudence, Cambridge/Mass.: Harvard University Press 1990, blz. 197 e.v. Hij geeft aan dat vragen kunnen voorkomen die niet met zekerheid juist kunnen worden beantwoord, mede door de complexe rol die feiten en de vaststelling daarvan spelen, vragen rond bewijsvoering, causaliteit en de algemene tekortkomingen van het juridisch systeem.
R. Dworkin, Law’s Empire, Cambridge/Mass.: Harvard University Press 1986, blz. 239.
R. Dworkin, Taking Rights Seriously, Cambridge/Mass.: Harvard University Press 1977, blz. 130.
Deel van de rechtstheorie van Dworkin draait rond het uitgangspunt dat op iedere rechtsvraag één juist antwoord mogelijk is.1 Dit betekent noodzakelijkerwijs dat steeds één juiste interpretatie te geven is en dat alle overige interpretaties onjuist, of in ieder geval minder goed zijn. Aan de hand van Dworkins omvangrijke theoretische werk op dit punt formuleer ik een kader dat als achtergrond kan dienen voor een meer normatieve toets voor het onderscheid tussen positief en wenselijk btw-recht. Eerst ga ik in op het bereik van het begrip interpretatie. Vervolgens bespreek ik de vraag waarom Dworkin er zo zeker van is dat steeds één interpretatie de juiste is en hoe die interpretatie herkend kan worden.
We interpreteren voortdurend. We interpreteren de boeken die we lezen, interpreteren wetten en jurisprudentie, kunst, historische gebeurtenissen, sociaal gedrag en ieder gesprek of vorm van communicatie. Interpretatie is daarom een zeer veelvoorkomend en veelvormig fenomeen. De enige overeenkomst die bestaat tussen de vormen van interpretatie in de verschillende hiervoor genoemde situaties of disciplines, is dat interpretatie altijd dient ter vaststelling van een betekenis, doeleinde of waarde. Wanneer een jurist artikel 19 Btw-richtlijn interpreteert, is dit om de betekenis of reikwijdte van die bepaling in een specifiek geval of in het algemeen te achterhalen. Wanneer een literatuurwetenschapper een interpretatie geeft van Gogol’s Dode Zielen dan is dit om een zekere betekenis te geven aan dat werk.
Het is van belang om vast te stellen dat een interpretatie verdergaat dan het geven van een mening of een voorkeur. Een interpretatie voelt als een overtuiging die waarheid in zich draagt.2 Ik vind mijn interpretatie van het arrest X bv3 (zie hoofdstuk 6) beter dan andere mogelijke interpretaties. Het kan ook moeilijk anders: het zou vreemd zijn als ik mijn onderzoek zou eindigen met de vaststelling dat mijn conclusies niet meer of minder juist zijn dan alle andere mogelijke conclusies. Hetzelfde geldt voor de conclusies uit het onderzoek van de literatuurwetenschapper naar de betekenis van DodeZielen. Ontwrichtender zou het zijn wanneer een rechter iemand zou veroordelen tot een zware gevangenisstraf, maar zijn vonnis zou afsluiten met de opmerking dat hij evengoed tot een andere conclusie had kunnen komen.4 Niet alleen zou dat maatschappelijk onacceptabel zijn, het zou ook indruisen tegen het gevoel van de rechter die overtuigd zal zijn van de juistheid van zijn oordeel. Die overtuiging leidt er onvermijdelijk toe dat die rechter ervan overtuigd moet zijn dat alle andere interpretaties onjuist of ten minste minder goed zijn.
Een sceptische benadering is op dit punt verleidelijk en ligt voortdurend op de loer. De rechter zou na afloop van de zitting tegen zijn collega’s kunnen zeggen: ik ben overtuigd van de juistheid van mijn oordeel maar dat wil niet zeggen dat een andersluidend oordeel niet evengoed zou zijn geweest. Of meer in het algemeen: er zijn voor meerdere oordelen goede argumenten aan te dragen, dus die hebben allemaal een zekere juistheid of waarheid in zich. Dworkin verzet zich sterk tegen deze scepsis.5 Dit doet hij op basis van de hiervoor besproken kenmerken van interpretatie en het gevoel van juistheid en overtuiging dat ermee gepaard gaat. Een fundamenteler bezwaar is dat deze sceptische houding op zichzelf een interpretatie is en daarmee intern contradictoir blijkt. Immers, waarom zou het sceptische oordeel juist zijn wanneer de kern van die visie is dat geen oordeel absoluut juist kan zijn?
De conclusie moet dus luiden dat de juiste interpretatie althans op theoretisch niveau bestaat. Dit zou betekenen dat ook op iedere rechtsvraag één juist antwoord te geven moet zijn. Op dit uitgangspunt is veel kritiek geweest. Kritiek op de ideeën van Dworkin komt er vaak op neer dat dit optimum een theoretisch fata morgana is. De dagelijkse rechtspraktijk heeft immers te maken met vertroebelde feitencomplexen, problemen rond de bewijslast, onbetrouwbare bronnen en slecht toepasbare regels.6 Dworkin ontkent echter niet dat zijn ‘juiste antwoord’ veelal slechts een theoretische mogelijkheid is.7 Niet voor niets beschrijft Dworkin een imaginaire, ideale rechter die hij Hercules noemt en die beschikt over bovenmenselijke vaardigheden, geleerdheid, geduld en scherpzinnigheid. Deze perfecte rechter moet in staat worden geacht om op iedere rechtsvraag het enige juiste antwoord te vinden. Dworkin pareert genoemde kritiek dan ook door aan te geven:
“[T]hat is perverse; it argues that because judges will often, by misadventure, produce unjust decisions they should make no effort to produce just ones.”8
Vastgesteld moet worden dat de praktische bezwaren uit de modder van de dagelijkse rechtspraktijk weliswaar kunnen verhinderen dat het juiste antwoord steeds te vinden of aanwijsbaar is, maar deze praktische bezwaren kunnen geenszins worden gezien als argument tegen het bestaan van het juiste antwoord. Het feit dat geen rechter Hercules is, leidt niet tot de gevolgtrekking dat Hercules het juiste antwoord niet zou kunnen geven. Fervente schakers zullen erkennen dat in iedere spelsituatie een perfecte zet bestaat. Die overtuiging staat los van de vraag of die zet ook altijd wordt herkend en gespeeld.
Het gaat er dan ook niet om te bepalen in hoeverre in de praktijk rechters steeds slagen in het bereiken van de optimale interpretatie. Het gaat in eerste instantie om de overtuiging dat de optimale interpretatie bestaat. Die overtuiging legt immers een verantwoordelijkheid bij de rechter om het optimale antwoord te vinden. Die verantwoordelijkheid vormt de kern van het kader voor de normatieve beoordeling van rechterlijk handelen, en in bredere zin, juridische interpretatie.