Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/8.4.3
8.4.3 Kwaliteitsrekening van art. 25 Wna
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS453243:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Hoge Raad past deze regelingen ook toe op kwaiteitsrekeningen van advocaten en accountants, zie Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 101; Steneker 2005, p. 8; HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9441, NJ 2002/371 (Koren q.q./Tekstra q.q.); HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413, NJ 2004/196 (ProCall).
Steneker 2005, p. 206-208.
Steneker 2005, p. 209, zie ook Steneker 2005, par. 5.5 en art. 6:140 lid 1 BW.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013, nr. 252; Van Dongen, Sdu Commentaar Vermogensrecht, art. 6:140 BW, aant. C1 (online, laatst bijgewerkt op 15 januari 2013); Faber 2005, nr. 185, 187; Mijnssen 2010, par. 4.2; Parl. Gesch. Boek 6, p. 518; Steneker 2005, par. 5.5; Wolfert 2007, nr. 33.
Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 97; Heyman & Bartels 2012, nr. 457.
Steneker 2005, p. 209.
Op p. 226 (Steneker 2005) bespreekt hij wel dat cessie en verpanding van het aandeel van de rechthebbende mogelijk is, maar gaat niet in op de situatie waarin verschillende vorderingen bestaan.
Heyman & Bartels 2012, nr. 457. Vgl. ook Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 576; Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 97;Kamerstukken II, 1993/94, 23706, nr. 3, p. 32-33 (MvT).
De MvT lijkt hier ook van uit te gaan: Kamerstukken II 1993/94, 23706, nr. 3, p. 30, 32.
215. Bij kwaliteitsrekeningen is een vergelijkbare gemeenschapsstructuur te ontwaren als bij de andere besproken ‘beschermende gemeenschapsconstructies’. In de wet zijn in art. 25 van de Wet op het notarisambt (Wna) en in art. 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet de kwaliteitsrekeningen van notarissen respectievelijk deurwaarders geregeld.1 De regelingen zijn op dezelfde leest geschoeid. In deze paragraaf dient de kwaliteitsrekening van art. 25 Wna als uitgangspunt. Net als in de Wge wordt daarin gebruik gemaakt van een gemeenschap, waardoor de belanghebbenden (bij de Wge “deelgenoten”) beschermd zijn tegen insolvabiliteit van hun wederpartij en de rekeninghouder, als alternatief voor een daadwerkelijk afgescheiden vermogen.2
Art. 25 lid 3 Wna bepaalt: “Het vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening behoort toe aan de gezamenlijke rechthebbenden. Het aandeel van iedere rechthebbende wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te zijnen behoeve op de bijzondere rekening is gestort.” Steneker schrijft daarover:
“De belanghebbenden hebben ieder een aandeel in de gemeenschappelijke vordering op de bank. Die vordering kan zijn opgebouwd uit verschillende vorderingen die zijn ontstaan door bijschrijvingen en die nog niet zijn verrekend met schulden die zijn ontstaan door afschrijvingen. Goederenrechtelijk bezien heeft iedere belanghebbende een aandeel in elk van die afzonderlijke vorderingen. Een belanghebbende kan echter niet worden aangemerkt als zelfstandig rechthebbende op de afzonderlijke vordering op de bank uit hoofde van het bedrag dat ten behoeve van hem is bijgeschreven. Alle belanghebbenden tezamen zijn gezamenlijk rechthebbenden op alle afzonderlijke vorderingen uit hoofde van nog niet met afschrijvingen verrekende bijschrijvingen. Daarmee zijn zij tevens gezamenlijk rechthebbenden op de vordering op de bank uit hoofde van het saldo van de kwaliteitsrekening.”3
Steneker gaat ervan uit dat het mogelijk is dat de vordering op de bank is opgebouwd uit verschillende vorderingen. Normaal gesproken is dat bij een creditsaldo op een bankrekening inderdaad mogelijk.4 In het geval van art. 25 Wna is echter evenzeer verdedigbaar dat het hier gaat om één vordering, nu het in art. 25 lid 3 Wna gaat om “[h]et vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening”, in enkelvoud. Andere literatuur lijkt ook van het bestaan van één vorderingsrecht uit te gaan.5
Bestaat in de situatie van art. 25 lid 3 Wna één vorderingsrecht, dan kan zich geen uitzondering op het uniciteitsbeginsel voordoen; er is dan simpelweg sprake van één gemeenschappelijk vorderingsrecht. Moet daarentegen aangenomen worden dat in sommige gevallen sprake kan zijn van meerdere vorderingsrechten, in elk waarvan de belanghebbenden ieder een aandeel hebben, dan doet zich een uitzondering op het uniciteitsbeginsel voor, indien moet worden aangenomen dat daarbij sprake is van één recht op meerdere objecten. Nu vallen bij vorderingsrechten de gerechtigdheid en het object samen, er is niet zoals bij bijvoorbeeld zaken een object (zaak) te onderscheiden van het recht (eigendom) dat daarop rust (vgl. paragraaf 2.2). Desalniettemin zou wellicht tot een uitzondering op het uniciteitsbeginsel geconcludeerd kunnen worden indien de belanghebbenden slechts bevoegd zijn te beschikken over hun aandeel in de afzonderlijke vorderingen tezamen, in plaats van over de afzonderlijke aandelen in de afzonderlijke vorderingen, of (gezamenlijk) over de vordering zelf.
Steneker gaat uit van afzonderlijke aandelen: “Goederenrechtelijk bezien heeft iedere belanghebbende een aandeel in elk van die afzonderlijke vorderingen.”6 Over de vraag of zij ook over de afzonderlijke aandelen kunnen beschikken, laat hij zich niet expliciet uit.7 De notaris is bij uitsluiting bevoegd tot het beheer en beschikking over de bijzondere rekening (art. 25 lid 2 Wna). Hieruit leid ik af dat, net als bij de Wge,8 de belanghebbenden niet bevoegd zijn om gezamenlijk over de afzonderlijke in de gemeenschap vallende vorderingen (de ‘gelden’) te beschikken, of over hun aandeel daarin. Zij kunnen slechts beschikken over hun ‘aandeel in de gehele gemeenschap’, of uitkering van “hun aandeel in het saldo” verlangen ingevolge art. 25 lid 4 Wna.9
216. Neemt men met Steneker aan dat de situatie zich voor kan doen dat de vordering op de bank opgebouwd is uit meerdere vorderingen, dan doet zich ook hier, net als bij de Wge, een uitzondering op het uniciteitsbeginsel voor. Ook hier zou dan een ‘transformatie’ van afzonderlijke goederen in een aandeel in een complex van goederen te zien zijn, net als bij de appartementsrechten en de Wge het geval was. Verschillen zijn wel aan te wijzen; de transformatie is bij appartementsrechten en het aandeel in het verzameldepot in de Wge van een meer duurzame aard. Bij de appartementsrechten zal (in principe) de appartementensplitsing gewijzigd moeten worden om een goed aan de splitsing te onttrekken10 en bij het verzameldepot uit de Wge is uitlevering slechts in uitzonderingsgevallen mogelijk (art. 26 lid 3 Wge). De constructie van art. 25 Wna is er daarentegen op gericht dat de belanghebbenden uiteindelijk niet slechts een aandeel in de gemeenschap hebben, maar een geldsom krijgen uitbetaald. Zo lang dat niet gebeurt, blijft het voor de belanghebbenden echter onmogelijk (gezamenlijk) te beschikken over de afzonderlijke vorderingen.
Neemt men daarentegen aan dat – op grond van de tekst van art. 25 Wna11 – slechts één vorderingsrecht bestaat, dan is, zoals gezegd, géén sprake van een uitzondering op het uniciteitsbeginsel. Dat het nog niet zo gemakkelijk is om aan te geven of hier sprake is van één vordering of meerdere vorderingen, laat zien dat het antwoord op de vraag of in casu sprake is van een uitzondering op het uniciteitsbeginsel praktisch van weinig belang is. Uiteindelijk gaat het erom dat de belanghebbenden kunnen beschikken over hun aandeel in het vorderingsrecht uit de kwaliteitsrekening, of het daarbij nou daadwerkelijk om één vorderingsrecht, of om meerdere vorderingsrechten gaat.