Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.2.3.3
III.5.2.3.3 Het onderdeel gelijkheid
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS450807:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder andere EHRM 12 juni 2012, appl. no. 29518/10 (N.B. vs. Slowakije) en EHRM 13 november 2012, appl. no. 15966/04 (I.G. en anderen vs. Slowakije).
Vgl. EHRM (GK) 19 oktober 2012, appl. nos. 43370/04, 18454/06, 8252/05 (Catan en anderen vs. Republiek Moldavië en Rusland).
C. Cahn, Human Rights, State Sovereignty and Medical Ethics (diss. Nijmegen), Leiden: Koninklijke Brill 2015.
Zie onder andere EHRM 12 juni 2012, appl. no. 29518/10 (N.B. vs. Slowakije) en EHRM 13 november 2012, appl. no. 15966/04 (I.G. en anderen vs. Slowakije).
EHRM 2 oktober 2012, appl. no. 40094/05, r.o. 199 (Virabyan vs. Armenië).
Vgl. de discussie naar aanleiding van de staandehouding van rapper Typhoon. In de zaak van Typhoon komen twee soorten informatie bijeen – ten eerste het uitgaveprofiel of de waarde van zijn bezittingen en ten tweede zijn uiterlijke kenmerken – en uit deze informatie leidt de opsporingsambtenaar in kwestie (intuïtief of gebaseerd op ervaringsregels) af dat de kans op ‘drugsgeld’ aanwezig is. Zie http://www.nu.nl/politiek/4270550/van-steur-erkent-etnisch-profileren-politie.html, laatst geraadpleegd op 16 februari 2017 en http://www.nu.nl/politiek/4270691/asscher-hoopt-maatschappelijk-debat-staandehouding-typhoon.html, laatst geraadpleegd op 16 februari 2017. Zie ook de Hoge Raad over dynamische verkeerscontroles: HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2454.
Zie voor een uitgebreide beschrijving en analyse over betekenis van het principe vanuit mensenrechtelijke perspectief en de verhouding met andere procesrechten M.I. Fedorova, The Principle of Equality of Arms in International Criminal Proceedings (diss. Utrecht), Antwerpen: Intersentia 2012, p. 30-68.
Fedorova stelt dat het EHRM niet consequent is. Bij de beoordeling van klachten over schendingen van het equality of arms principe wordt zowel ‘conditions that do not placehim at a disadvantage’ als ‘conditions that do not place him at a substantial disadvantage’ gebruikt. M.I. Fedorova, The Principle of Equality of Arms in International Criminal Proceedings (diss. Utrecht), Antwerpen: Intersentia 2012, p. 37. Zie bijvoorbeeld EHRM 22 juni 2000, appl. nos. 32492/96, 32547/96, 32548/96, 33209/96 & 33210/96, r.o. 102 (Coeme en anderen vs. België) en EHRM 6 september 2005, appl. no. 65518/01, r.o. 87 (Salov vs. Oekraïne) en EHRM 20 april 2010, appl. nos. 12315/04 & 17605/04, r.o. 60 (Laska & Lika vs. Albanië), waarin substantial disadvantage wordt gebruikt. Zie de arresten uit de volgende voetnoot waarin (elk) disadvantage wordt gebruikt.
EHRM 22 februari 1996, appl. no. 17358/90, r.o. 47 (Bulut vs. Oostenrijk) en EHRM 5 oktober 2000, appl. no. 32367/96, r.o. 39 (APEH Uldozotteinek Szövetsege en anderen vs. Hongarije) en EHRM (GK) 12 mei 2005, appl. no. 46221/99, r.o. 140 (Öcalan vs. Turkije) en EHRM 3 oktober 2013, appl. no. 21613/07, r.o. 58 (Kasparov en anderen vs. Rusland).
‘This means that the same procedural rights are to be provided to all the parties unless distinctionsare based on law and can be justified on objective and reasonable grounds, not entailingactual disadvantage or other unfairness to the defendant.’ HRC 27 juli 2007, general comment 32 bij artikel 14 IVPBR.
Zie bijvoorbeeld EHRM 22 februari 1996, appl. no. 17358/90, r.o. 49-50 (Bulut vs. Oostenrijk).
Zie bijvoorbeeld EHRM 22 juni 2000, appl. nos. 32492/96, 32547/96, 32548/96, 33209/96 & 33210/96, r.o. 103 (Coeme en anderen vs. België)
Zie bijvoorbeeld EHRM 25 februari 2010, appl. no. 41116/04, r.o. 41, 44 (Crabtree vs. Tsjechische Republiek).
Zie bijvoorbeeld EHRM 20 november 1989, NJ 1990, 245 (Kostovski vs. Nederland).
Zie bijvoorbeeld EHRM (GK) 16 februari 2000, appl. no. 28901/95 (Rowe & Davis vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM (GK) 27 oktober 2004, NJCM-Bulletin 2005, 3 (Edwards & Lewis vs. het Verenigd Koninkrijk).
In de Zuid-Afrikaanse rechtspraak wordt menselijke waardigheid in verband gebracht met het eerlijk procesrecht omdat een onterechte veroordeling grote invloed kan hebben op het leven van de ten onrecht veroordeelde persoon onder andere door stigmatisering en aantasting van zijn intrinsieke eer. Constitutioneel Hof van Zuid-Afrika 27 september 2000, S vs. Dzukuda and Others; S vs. Tshilo (CCT23/00) [2000] ZACC 16; 2000 (4) SA 1078 ; 2000 (11) BCLR 1252 (CC).
EHRM 5 november 2002, appl. no. 48539/99, r.o. 44 (Allan vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM (GK) 10 maart 2009, appl. no. 4378/02, r.o. 92 (Bykov vs. Rusland) en EHRM 1 februari 2011, appl. no. 23909/03, r.o. 127 (Desde vs. Turkije) en EHRM 25 juni 2013, appl. no. 25333/03, r.o. 111 (Niculescu vs. Roemenië) en EHRM 28 november 2013, appl. no. 25703/11, r.o. 91 (Dvorski vs. Kroatië).
D. Luban, Legal Ethics and Human Dignity, Cambridge: Cambridge University Press 2007, p. 68-69, 70. Zie vergelijkbaar G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandsestrafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 12: ‘Zich verplaatsend in die laatste positie (van de onschuldige verdachte, DvT) wordt de strafrechtfunctionaris geconfronteerd met de vraagof de verdachte een eerlijke en volledige kans heeft gekregen zijn “verhaal” naar voren te brengen.’
Zie ook P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Her(er)kenning van de verdachte als individu: Over ‘menselijke waardigheid’ als bruikbare notie’, in: A.M. van Kalmthout, T. Kooijmans & H. Moors (red.), Mensbeeld, beeldvorming en mensenrechten, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 82.
HRC 24 juli 2007, general comment 32 bij artikel 14 IVPBR.
Wel bijzonder is dat in artikel 14 IVBPR wordt bepaald dat alle voor gerechten alle mensen gelijk zijn en recht hebben op een eerlijk proces.
BVerfG 14 juni 2007, 2 BvR 1447/05, r.o. B.I.3.cc en BVerfG 15 januari 2009, 2 BvR 2044/07, r.o.B.II.3.a.
BVerfG 13 juni 2007, 1 BvR 1550/03, r.o. C.II.2.aa en BVerfG 19 maart 2013, 2 BvR 2628/10, 2 BvR 2883/10, 2 BvR 2155/11, r.o. B.I.2.b.bb. Zie ook S. Gless, ‘Der Nemo tenetur- Grundsatz – ein Erbe Napoleons im deutschen, französischen und europäischen Recht’, in: H. Jung, J. Leblois-Happe & C. Witz (red.), 200 Jahre Code d’instruction criminelle – Le Bincentaire du Code d’instruction criminelle, Baden-Baden: Nomos 2010, p. 81.
BVerfG 19 maart 2013, 2 BvR 2628/10, 2 BvR 2883/10, 2 BvR 2155/11, r.o. B.I.2.b.bb.
BVerfG 15 januari 2009, 2 BvR 2044/07, r.o.B.II.3.b.
Het eerste onderdeel van de menselijke waardigheid is gelijkheid. Het onderdeel gelijkheid bevat ten eerste een verbod op ongerechtvaardigde ongelijke gevallen doordat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld of wanneer op basis van irrelevante punten burgers ongelijk worden behandeld. Ten tweede moeten gelijke mogelijkheden worden bevorderd. Het eerste component (ongelijke behandeling) valt waarschijnlijk vaak samen met de aantasting van de intrinsieke eer. Een ongelijke behandeling op basis van bijvoorbeeld etniciteit (zoals de gedwongen van sterilisatie van Roma-vrouwen1) levert ook ongeoorloofde dwang op (en dus een aantasting van de intrinsieke eer omdat discriminatie op basis van etniciteit en op die discriminatie gebaseerde gedwongen onnodige medische behandeling ten minste gevoelens van inferioriteit en mogelijk ook angst oproepen). Zoals al eerder is vermeld, kan ongeoorloofde dwang bovendien de onafhankelijke keuze beïnvloeden. De gesteriliseerde vrouwen hadden zelf geen invloed op het medische ingrijpen. Het tweede component (gelijke mogelijkheden) valt vaak samen met het agencyconcept. Om jezelf te ontwikkelen, is bijvoorbeeld vrije toegang tot (ten minste lager en middelbaar) onderwijs noodzakelijk.2 Overigens kan aan de ongelijke mogelijkheden een ongelijke behandeling ten grondslag liggen maar dat is niet noodzakelijk. Het van het volgen van onderwijs uitsluiten van vrouwen is zowel een ongelijke behandeling als een ongelijke mogelijkheid ten opzichte van mannen. In Catan en anderen was de mogelijkheid tot het volgen van onderwijs voor alle inwoners van Transdniestria gelijk. Iedereen kon het onderwijs volgen dat werd gesteund door de separatisten. Maar niet alle kinderen hadden de mogelijkheid om onderwijs in overeenstemming met hun culturele en etnische achtergrond te volgen.
De ongelijke behandeling vormt in verschillende arresten de grondslag om een schending van de menselijke waardigheid aan te nemen. Een schrijnend voorbeeld van ongelijke behandeling werd in de vorige alinea al aangestipt. Onder andere in Slowakije3 werden Roma-vrouwen tijdens de bevalling zonder toestemming gesteriliseerd.4 Het steriliseren van vrouwen van een bepaalde etnische en culturele achtergrond levert (ten minste) een ongelijke behandeling op. Een ander (evident) voorbeeld van een ongelijke behandeling is discriminatie. In Virabyan werd door het EHRM overwogen dat (dodelijk) geweld als gevolg van discriminatie op grond van ras een schending van de menselijke waardigheid oplevert.5 Ook voor het strafprocesrecht geldt natuurlijk dat verdachten niet onderscheidend op grond van bijvoorbeeld etniciteit, ras en geloof mogen worden behandeld. Strafvorderlijke middelen moeten derhalve worden ingezet ongeacht bepaalde persoonskenmerken, maar op grond van een graad van verdenking die individualiseerbaar, concretiseerbaar en objectiveerbaar is. Dat iemand met een bepaald uiterlijk een dure auto bezit, bevat geen enkele concrete en objectieve informatie over betrokkenheid bij enig strafbaar feit.6
Het onderdeel van gelijkheid komt veelvuldig terug in de strafvordering. Eerst, en natuurlijk, dat een verdachte niet op ongelijke gronden moet worden behandeld, door bijvoorbeeld verdachten van een bepaald ras kaal te scheren of een opsporingsmethode louter toe te passen bij verdachten van een bepaald geloof. Wat betreft ‘actieve’ procesrechten is het equality of armsprincipe het paraplubegrip,7 waaronder de redelijke mogelijkheid om standpunten naar voren te brengen en het uitgangspunt dat de verdachte geen (substantiële)8 nadelige positie mag hebben ten opzichte van de aanklager vallen.9 Met andere woorden, de verdachte komt gelijke procesrechten toe,10 inclusief het kennis nemen en becommentariëren van stukken ingebracht door de aanklager,11 de noodzakelijkheid van het bestaan van procedurele regels12 en dat beslissingen beschikbaar moeten zijn in een taal die verdachte beheerst.13 Deze procesrechtelijke gelijkheid bevordert de autonomie en biedt ‘slechts’ procedurele randvoorwaarden om de fundamentele kwesties van de menselijke waardigheid mogelijk te maken. Onder andere door volledig te worden geïnformeerd en procesrechtelijke bevoegdheden te krijgen kan de verdediging onafhankelijk en op basis van eigen voorkeuren een proceshouding innemen. Het principe van gelijkheid van wapenen is derhalve een middel om gelijkheid tussen partijen te bevorderen met als doel het mogelijk maken van de autonomie positie.
Mijn idee is dat een ongelijke behandeling een oneerlijke behandeling is en dat een oneerlijke behandeling een mensonwaardige behandeling is in de zin dat de waardigheid-als-autonomie daardoor ten onrechte wordt beperkt. Waardigheid-als-gelijkheid is in deze zin een voorwaarde voor waardigheid-als-autonomie. Hieronder wordt eerst het verband tussen ongelijk en oneerlijk uiteen gezet. Voorbeelden uit de rechtspraak betreffen de ongelijke mogelijkheden wat betreft het verhoren van anonieme getuigen14 en het inzien van het volledige procesdossier.15 Kostovski werd enkel op grond van anonieme verklaringen veroordeeld en had in de procedure te weinig effectieve mogelijkheden gekregen de getuigen te (doen) ondervragen. Zo worden slechts twee van de veertien door de advocaat ingediende vragen door de rechter-commissaris aan de getuigen gesteld. De overige vragen werden niet gesteld omdat die vragen de identiteit van de getuigen prijs konden geven. In Edwards & Lewis kregen de verdachten niet de beschikking over het volledige dossier, terwijl de aanklager de inhoud van de stukken natuurlijk kende en de rechters wel kennis namen van de stukken om over de non-disclosure te kunnen oordelen. Dit leverde een schending van artikel 6 EVRM op. Het eerlijk-procesrecht biedt de verdachte garanties dat hij in voldoende mate gelijke mogelijkheden bezit. Net zoals bij het verbod op vernederende behandelingen moet wel een bepaalde minimum level of severity worden overschreden voordat de ongelijke behandeling oneerlijk is.
Een eerlijke behandeling binnen de strafvordering bevordert (ten minste) twee doelen: het voorkomt gerechtelijke dwalingen16 (of tenminste probeert deze te voorkomen) en de wil van de aangeklaagde verdachte wordt gerespecteerd.17 Een te grove ongelijke behandeling is oneerlijk omdat het beide partijen niet dezelfde mogelijkheden geeft zijn standpunten naar voren te brengen waardoor zijn wil niet wordt gerespecteerd en waardoor mogelijke gerechtelijke dwalingen in onvoldoende mate worden voorkomen omdat te veel waarde wordt gehecht aan het verhaal van één van de partijen. Het bieden van ongelijke mogelijkheden is mijns inziens op twee manieren een aantasting van de menselijke waardigheid, namelijk doordat de verdachte dan niet als mens met gelijke capaciteiten wordt gezien en dat hij door de ongelijke mogelijkheden niet zijn verhaal kan vertellen (zie uitgebreid paragraaf 1.1.2 van dit hoofdstuk). Zowel Luban als Corstens & Borgers stellen dat door de verdachte met respect te behandelen hem de mogelijkheid wordt geboden om zelfstandig, eerlijk en volledig zijn verhaal naar voren te brengen.
‘A procedural system that simply gagged a litigant and refused even to consider her version of the case would be in effect treating her story as if it didn’t exist, her pointof view as if it were literally beneath contempt. […] So, in this context, having humandignity means, roughly, having a story of one’s own.’18
Overigens verwijst het EHRM in de zaken Kostovski en Edwards & Lewis, in overeenstemming met vrijwel alle artikel 6 EVRM-zaken,19 niet naar het concept menselijke waardigheid. Ook het HRC negeert de menselijke waardigheid bij klachten over schendingen van en in de general comment20 over de eerlijk procesrechten.21 Dit in tegenstelling tot het BV erfG. Hij leidt uit de menselijke waardigheid van artikel 1 GG af dat de verdachte recht op een eerlijk proces heeft omdat anders de verdachte een bloßen Objekt van de strafrechtelijke politiek wordt22 en om de eerlijkheid van het proces te bevorderen, kan hij onder andere een beroep doen op het nemo-teneturbeginsel,23 het zwijgrecht24 en het equality of armsprincipe25. In Duitsland valt de strafprocesrechtelijke gelijkheid van wapenen wel expliciet onder de paraplu van een menswaardige behandeling omdat dat een van de concretere rechten is waarmee wordt voorkomen dat de verdachte enkel object wordt.
Voor de GKT betekent waardigheid-als-gelijkheid dat het afnemen van de test niet mag worden gebaseerd op irrelevante ongelijke gronden zodat sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. Daarnaast dienen bestaande procesrechten, zoals inzage in het proces-verbaal over de GKT en het betwisten van het resultaat, ook voor de (neuro)geheugendetectie te gelden. Speciaal voor de GKT kan een speciale contra-expertiseprocedure worden gecreëerd waardoor de verdediging een (min of meer) gelijke optie heeft om de resultaten van de (neuro)geheugendetectie te laten beoordelen. Het resultaat van de (neuro)geheugendetectie is afhankelijk van de gekozen items, de naïviteit van de verdachte en de interpretatie van de hersenactiviteit. Hoogstwaarschijnlijk komen twee onafhankelijke en onpartijdige deskundigen tot dezelfde conclusie bij het interpreteren van de resultaten, maar omdat interpretatie een rol speelt, is dit geen gegeven. Een eventueel tegenonderzoek is echter niet eenvoudig vorm te geven. De GKT kan namelijk niet twee keer met dezelfde items worden afgenomen omdat de voorwaarde van naïviteit dan is geschonden. Dit betekent dat een volledig nieuwe test moet worden opgesteld, maar in veel opsporingsonderzoeken zal dat niet mogelijk zijn omdat een van de moeilijkheden bij het opstellen van één (neuro)geheugendetectietest het creëren van voldoende items is. Een andere vorm van tegenonderzoek kan het volgende zijn: de niet-geïnterpreteerde resultaten, de patronen van hersenactiviteit, van het eerste onderzoek kunnen worden voorgelegd aan een tweede deskundige. Deze deskundige bekijkt slechts de resultaten en moeten op grond daarvan de beslissing over het aanwezig zijn van schuldige kennis nemen.