Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/5.1.1:5.1.1 De toevoeging van art. 5:20 lid 2 BW
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/5.1.1
5.1.1 De toevoeging van art. 5:20 lid 2 BW
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS490432:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Op grond van de overgangsbepaling in artikel 155 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek is dit artikellid mede van toepassing op een net dat voordien is aangelegd.
Stb. 2007, 16.
Hoge Raad 6 juni 2003, (Kabelarresten) ECLI:NL:HR:2003:AD3578.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op 1 februari 2007 werd aan art. 5:20 een tweede lid toegevoegd,1 dat luidt:
“In afwijking van lid 1 behoort de eigendom van een net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, dat in, op of boven de grond van anderen is of wordt aangelegd, toe aan de bevoegde aanlegger van dat net dan wel aan diens rechtsopvolger.”
De toevoeging van lid 2 aan art. 5:20 BW was onderdeel van op 6 december 2006 ingevoerde wet tot Wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met een herziening van het nationale beleid ten aanzien van de aanleg van kabels ten dienste van openbare electronische communicatienetwerken.2 Aanleiding van de nieuwe regeling waren de op 6 juni 2003 door de Hoge Raad gewezen Kabelarresten.3