Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/6.6.2.4
6.6.2.4 Onderzoek ter plaatse
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS595255:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 13, lid 2, sub g, Bupw. Vergelijk ook art. 31, lid 2, sub d, Bpr (voorDNB-vergunde ondernemingen) en art. 38e, lid2, sub i, Bgfo (voor beleggingsondernemingen).
Art. 12, sub c, Bupw (art. 27, lid 1, Bpr en art. 37 Bgfo).
Zie par. 6.6.2.2.
Art. 13, lid 3, Bupw (oud).
Stb. 2009, 43, p. 3. Dit is een opmerkelijke redenering. Het Bupw bevatte nooit een bepaling dat de toezichthouder toestemming nodig had van de uitbesteder om een onderzoek ter plaatse van de dienstverlener te houden. Ook het Bpr en het Bgfo bevatten nooit een dergelijke bepaling. De enige beperking was (en is dat in het Bpr en Bgfo nog steeds) dat de naleving van de wet niet via onderzoek bij de uitbesteder kan worden vastgesteld.
Par. 6.5.3.1.
Art. 31, lid 3, Bpr en art. 38e, lid 3, Bgfo.
Zie par. 6.5.3.1.
De overeenkomst moet een beding bevatten op grond waarvan de toezichthouder een onderzoek ter plaatse kan verrichten of laten verrichten.1 Ook dit beding vormt een uitwerking van het principe dat uitbesteding geen belemmering van het toezicht mag vormen.2 Het vormt de contractuele pendant van de wettelijke bevoegdheid van toezichtmedewerkers (jegens eenieder in Nederland) om plaatsen te betreden.3 In dat licht moet het beding dan ook worden uitgelegd. Dat brengt mee dat inzage kan worden gevorderd in zakelijke gegevens zoals een papieren administratie of computerbestanden. Ook moet de mogelijkheid bestaan om kopieën van zakelijke gegevens te maken of te verkrijgen. Uit het proportionaliteitsbeginsel volgt dat de toezichthouder slechts toegang kan verlangen tot die bedrijfsruimten en inzage in die gegevens die voor de uitoefening van het toezicht noodzakelijk zijn.4
Er is een verschil aan te wijzen tussen de contractuele en de Awb-bevoegdheid tot het betreden van plaatsen. De Awb-bevoegdheid biedt de toezichtmedewerker de mogelijkheid zich door deskundigen te laten vergezellen. Op grond van het contractuele beding kan de toezichtmedewerker het onderzoek ter plaatse ook laten uitvoeren zonder daar zelf bij aanwezig te zijn.
Voorheen was in het Bupw opgenomen dat de toezichthouder slechts gebruik mocht maken van zijn contractuele bevoegdheid tot het (doen) houden van een onderzoek ter plaatse, “indien niet op andere wijze bij het fonds kan worden vastgesteld dat ten aanzien van de uitbestede werkzaamheden wordt voldaan aan [dewet]”.5 In het Bupwis deze beperking geschrapt: DNB moet snel kunnen ingrijpen, ook wanneer het pensioenfonds niet direct toestemming geeft voor het onderzoek ter plaatse van de dienstverlener.6 Toch betekent dit niet dat de toezichthouder te pas en te onpas voor de deur van de dienstverlener kan verschijnen. Het evenredigheidsbeginsel blijft van toepassing. Ook na de schrapping van deze beperking zal de toezichthouder zich moeten richten tot “de meest geëigende partij”. Dat is in beginsel het uitbestedende pensioenfonds.7
In het Bpr en het Bgfo is de voorgeschreven contractuele bevoegdheid tot het (doen) houden van een onderzoek ter plaatse nog steeds beperkt tot de situatie dat de toezichthouder niet op andere wijze kan vaststellen dat de uitbestede werkzaamheden conform de wet worden uitgevoerd.8 De toezichthouder mag voor een onderzoek ter plaatse dus niet de (enkele) uitbestedende financiële onderneming passeren. Ik meen dat de toezichthouder zich desondanks tóch rechtstreeks tot de dienstverlener mag wenden voor een onderzoek ter plaatse, als dat dient om bij een veelvoud van onder toezicht staande uitbesteders de naleving van wettelijke regels ten aanzien van uitbestede werkzaamheden te onderzoeken. Dit volgt uit het evenredigheidsbeginsel.9