Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/2.2.1
2.2.1 Bespreking van het arrest
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS484301:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2223 (Havenkraan I arrest).
Zie o.m. H.D. Ploeger, ‘Een mobiele onroerende zaak?’, WPNR 1998/6321 en J.E. Wichers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2002, p. 111-112.
Overigens wil ik niet stellen dat zo een dubbele toets niet te verenigen is met het Portacabinarrest. De Hoge Raad overweegt in het Portacabinarrest (r.o. 3.3) dat de verkeersopvattingen wel in aanmerking worden genomen indien nader moet worden bepaald wat heeft te gelden als ‘duurzaam’, ‘verenigd’, ‘bestemming’ en ‘naar buiten kenbaar’. Met dit in het achterhoofd zal derhalve naar verkeersopvatting bepaald dienen te worden of er sprake is van vereniging met de grond, en zo ja, dat het bestemmingscriterium geldt voor de vraag of deze vereniging duurzaam is.
X BV exploiteert een expeditie-, opslag-, cargadoors- en stuwadoorsbedrijf op een terrein in de A-haven in Rotterdam, dat X BV huurt van de gemeente. In 2000 is ten behoeve van X BV een opstalrecht gevestigd op het terrein. In 2002 schaft een zustermaatschappij van X BV, A BV, twee havenkranen aan, die verhuurd worden aan X BV. De kranen worden daartoe met een ponton naar het terrein van X BV vervoerd en vervolgens ter plaatse gemonteerd. De kranen dienen om ter plaatse zeeschepen te laden en lossen en zijn geplaatst op rails, waarop zij over een afstand van maximaal 600 tot 800 meter heen en weer kunnen bewegen.
Op 3 mei 2004 worden de twee kranen door A BV aan X BV verkocht. Nu de Inspecteur stelt dat de kranen als onroerende zaken zijn aan te merken, wordt terzake van de verkrijging overdrachtsbelasting geheven. Nadat het bezwaar van X BV tegen die voldoening door de Inspecteur is afgewezen, gaat X BV in beroep bij de Rechtbank te ’s-Gravenhage. De Rechtbank oordeelt dat ‘gelet op de omstandigheden, de afmetingen en het gewicht van de kranen, de tot de gedingstukken behorende foto’s en het tijdsverloop tussen 2002 en de zitting van 20 januari 2009’, de kranen aangemerkt dienen te worden als bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven en derhalve onroerend zijn in de zin van art. 3:3 lid 1 BW.
Ook het Hof oordeelt dat de havenkranen als onroerende zaak moeten worden aangemerkt:
“Uit de foto’s en de in de omschrijvingen en tekeningen van de havenkranen te destilleren uiterlijke kenmerken van de havenkranen leidt het Hof af, dat zij naar aard en inrichting bestemd waren om duurzaam ter plaatse te blijven en dat die bestemming naar buiten kenbaar was. Niet gebleken is van bijzonderheden in aard en inrichting van de havenkranen, waaruit de bedoeling van belanghebbende om deze slechts tijdelijk met de grond te verenigen naar buiten kenbaar was. Als een zodanige bijzonderheid wordt niet aangemerkt het voornemen van belanghebbende de havenkranen te gelegener tijd naar een andere locatie te verplaatsen, aangezien een dergelijk voornemen (…) geen afbreuk doet aan de naar buiten kenbare bijzonderheden van de aard en de inrichting van de havenkranen.”
In cassatie wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de havenkranen aangemerkt dienen worden als onroerend. Het eerste middel richt zich op de aard van de havenkranen. Hierbij wordt verwezen naar het zojuist besproken Woonarkarrest. Gesteld wordt dat de havenkranen die van wielen zijn voorzien en die zich op eigen kracht voortbewegen langs een railtraject, waarop zij zonder enige vaste verbinding zijn geplaatst, naar hun aard beschouwd dienen te worden als roerende zaken. Daarnaast wordt aangevoerd dat mobiele havenkranen in het algemeen roerend zijn, bijzondere omstandigheden daargelaten. En dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op basis waarvan de onderhavige havenkraan als onroerend aangemerkt dienen te worden, maar dat de specifieke kenmerken van de kranen juist nopen tot de conclusie dat deze kranen roerend zijn. Deze kenmerken bestaan er, kort gezegd, uit dat de kranen ter plaatse een aanzienlijke overcapaciteit hadden en technisch voorbereid waren voor gebruik op een meer gangbare spoorbreedte dan in de betrokken havenbassin. Deze voor derden kenbare overcapaciteit en het feit dat voor derden zichtbaar was dat er aanpassingen nodig waren voor de andere spoorbreedte en dit direct voortvloeit uit de aard van de kranen, leidt volgens belanghebbende tot de conclusie dat de kranen slechts tijdelijk met de grond verenigd waren.
De Hoge Raad gaat hier niet in mee en stelt dat het oordeel van het hof dat de havenkranen moeten worden aangemerkt als onroerend in de zin van art. 3:3 BW, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting “en kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst.” Dit was overigens niet de eerste keer dat de Hoge Raad zich uit diende te spreken over de vraag of een havenkraan een roerende of een onroerende zaak is. Ook in 1997 stelde de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof dat de havenkranen, die geplaatst waren op vaste rails en zich slechts over een beperkt traject heen en weer bewogen, bestemd waren om duurzaam ter plaatse te blijven en derhalve onroerend waren geen blijk gaf van een onjuiste rechtsoordeel.1 Er was echter wel wat kritiek op dit arrest.2 Wellicht bestond er na het Woonarkarrest even de hoop dat er een halt toegeroepen werd aan de ruime uitleg van het onroerende zaaksbegrip. Om die reden is het misschien niet verwonderlijk dat de Hoge Raad zich wederom over de kwalificatie van havenkranen uit diende te spreken. In het Havenkraanarrest wordt in cassatie namens X BV ook verwezen naar het Woonarkarrest. In dit arrest had het hof immers de woonark als onroerend aangemerkt, hetgeen in cassatie door de Hoge Raad werd verworpen met als motivering dat het een zaak betreft die blijkens zijn constructie bestemd is om te drijven en drijft of gedreven heeft, zodat er sprake is van een schip in de zin van art. 8:1 BW en dat een schip in het algemeen een roerende zaak is.
Namens X BV wordt een beroep gedaan wordt op het Woonarkarrest, stellende:
“De Hoge Raad overwoog dat een als schip aan te merken ark in het algemeen roerend is. Een verbinding tussen een schip en de onder dat schip gelegen bodem die toelaat dat het schip met de waterstand mee beweegt, kan niet leiden tot het oordeel dat het schip met de bodem is verenigd in de zin van artikel 3:3, lid 1 BW, evenmin als het enkele feit dat het schip is aangesloten op nutsvoorzieningen.”
(...)
“Gezien deze uitspraak moeten havenkranen als de onderhavige die van wielen zijn voorzien en die zich op eigen kracht voortbewegen langs een railtraject waarop zij zonder enige vaste verbinding zijn geplaatst, in het algemeen worden beschouwd als roerende zaken.”
Wat betreft de havenkranen gaat de Hoge Raad hier echter niet in mee:
“De vraag of kranen als de onderhavige in verbinding staan met de (onder)grond kan echter niet op dezelfde wijze worden beantwoord als de vraag of een woonark als in dat arrest bedoeld in verbinding staat met de bodem. Een dergelijke woonark is niet met de bodem verenigd, in de zin van artikel 3:3 BW, omdat zij blijkens haar constructie bestemd is om op het water te drijven en ook in feite drijft. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de onderhavige kranen blijkens hun constructie bestemd zijn om zich op het land te bevinden en dat zij, zij het indirect via rails, ook feitelijk in voortdurende verbinding staan met de onder de kranen gelegen grond. Mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1997, nr. 31274, LJN AA2223, BNB 1997/294, heeft het Hof dan ook zonder schending van enige rechtsregel en zonder gehouden te zijn tot nadere motivering kunnen aannemen dat de kranen ondanks hun beweegbaarheid over rails met de grond waren verenigd in de zin van art. 3:3 BW.”
De Hoge Raad bevestigt derhalve in het Havenkraanarrest dat voor toepassing van art. 3:3 BW een dubbele toets geldt. Gesteld wordt dat de havenkranen niet vergeleken kunnen worden met de woonark, nu in het laatstgenoemde geval in het geheel geen sprake was van vereniging. Dit betekent derhalve dat eerst de vraag moet worden beantwoord of er sprake is van vereniging, en zo ja of deze vereniging duurzaam is. Hetgeen, zoals reeds uiteengezet is, een verfijning van de regel uit het Portacabinarrest betekent.3