Einde inhoudsopgave
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/3.2.2.2
3.2.2.2 Misbruik van bevoegdheid
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar, datum 26-04-2016
- Datum
26-04-2016
- Auteur
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar
- JCDI
JCDI:ADS377612:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Bijzondere onderwerpen
Huurrecht / Verplichtingen huurder en verhuurder
Voetnoten
Voetnoten
Schrage 2012, p.7.
Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:13 BW, aant. 36 (online, laatst bijgewerkt op 1 september 2015).
Zie bijvoorbeeld Rb. ’s-Gravenhage (pres.) 4 oktober 1995, Prg. 1995, 4401.
Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:13 BW, aant. 45 (online, laatst bijgewerkt op 1 september 2015).
HR 21 mei 1999, NJ 1999, 507.
Hof Amsterdam 24 februari 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BI6428.
Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:13 BW, aant. 45 (online, laatst bijgewerkt op 1 september 2015).
Naast de hiervoor behandelde (beperkende) werking van de redelijkheid en billijkheid kent de wet nog een grondslag die het mogelijk maakt om een door een partij verrichte rechtshandeling aan te tasten, namelijk ‘misbruik van bevoegdheid’. Deze bepaling is opgenomen in artikel 3:13 BW. Deze bepaling kan worden gezien als een species van de genus ‘redelijkheid en billijkheid’.1 Het onderscheid tussen een oordeel op grond van de redelijkheid en billijkheid en misbruik van bevoegdheid is overigens niet altijd scherp te maken. Een handeling kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden geacht omdat met die handeling misbruik van een bevoegdheid wordt gemaakt.2 De bepaling kan echter ook worden ingeroepen bij gevallen waar een beroep op de redelijkheid en billijkheid niet mogelijk is.3 Het artikel kan worden ingeroepen om op te komen tegen de uitoefening van een bevoegdheid die in beginsel wel bestaat. Het artikel is dus niet bedoeld om de stelling te onderbouwen dat een partij een bepaalde bevoegdheid überhaupt niet heeft. Als een bestaande bevoegdheid wordt misbruikt, mag de partij die de bevoegdheid wil uitoefenen, haar echter niet inroepen. Vertaald naar een processuele actie betekent dit dat de rechtshandeling vernietigbaar is: concreet komt dit erop neer dat (vervolgens) een verbod op het uitoefenen van de bevoegdheid en/of ‘herstel in oude toestand’ kan worden gevorderd. Voor zover het uitoefenen van een bevoegdheid die misbruikt is niet meer kan worden hersteld, zal moeten worden teruggevallen op een actie uit onrechtmatige daad en zal de partij die schade heeft ondervonden van het uitoefenen van de misbruikte bevoegdheid slechts nog aanspraak op vergoeding van diens schade kunnen maken.
Artikel 3:13 lid 2 BW bevat een – niet limitatieve4 – opsomming van situaties waarin sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheid. Dat betreft allereerst de situatie waarin een bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden. Volgens Stein doet deze situatie zich met name voor op het gebied van misbruik van processuele bevoegdheden, misbruik van beslagrecht en misbruik bij weigering een door de wet vereiste toestemming te verlenen.5
De tweede situatie waarin sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheid is die waarin de bevoegdheid wordt uitgeoefend met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. In de praktijk doet deze situatie zich bijvoorbeeld voor op het moment dat een van de partijen zijn onderhandelingspositie jegens de ander op een oneigenlijke manier probeert te versterken, terwijl dit voor de ander een onaanvaardbare benadeling oplevert, of als een monopoliepositie wordt misbruikt. Ook bij het uitoefenen van processuele bevoegdheden kan sprake zijn van misbruik omdat een bevoegdheid wordt uitgeoefend met een ander doel dan waarvoor zij is verleend, zoals wanneer hoger beroep of cassatie wordt ingesteld in een procedure waarin evident is dat dit enkel en alleen gebeurt als vertragingstactiek. Dit heeft dan overigens niet tot gevolg dat de partij die de bevoegdheid tot het instellen van hoger beroep of cassatie uitoefent niet-ontvankelijk wordt verklaard, doch zal vaak tot gevolg hebben dat het vonnis in eerste aanleg of het arrest in hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, zodat de in het gelijk gestelde partij ondanks het hoger beroep of de cassatie de uitspraak ten uitvoer kan leggen.6
De derde situatie die expliciet wordt genoemd, is die waarin de partij die zijn bevoegdheid uitoefent in redelijkheid niet tot uitoefening van die bevoegdheid had kunnen komen, waarbij de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor geschaad wordt in aanmerking moet worden genomen. Uit deze formulering mag niet worden afgeleid dat het om een ‘eenvoudige’ belangenafweging gaat. Het enkele feit dat de belangen van de partij die nadeel ondervindt van de uitoefening van de bevoegdheid zwaarder wegen dan de belangen van de partij die de bevoegdheid uitoefent, is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Er moet sprake zijn van een ‘grote onevenwichtigheid tussen het gediende en het aangetaste belang’; de handelende partij had in redelijkheid niet tot deze uitoefening van recht en bevoegdheid mogen komen. Dat maakt de rechterlijke toetsing een marginale toetsing.7 Daarbij wordt getoetst of de partij die zijn bevoegdheid uitoefende wist dat er sprake is van een onevenredigheid tussen zijn belang en dat van de ander. Een partij die een bevoegdheid uitoefent zonder dat hij weet dat een ander daardoor onevenredig wordt geschaad, maakt geen misbruik van die bevoegdheid.8 In geval van opzegging van een huurovereenkomst wordt niet snel geoordeeld dat de verhuurder misbruik maakt van zijn bevoegdheid. De weging van de wederzijdse belangen vindt doorgaans plaats in het kader van een beoordeling van de eisen van redelijkheid en billijkheid; de beoordeling of sprake is van misbruik van bevoegdheid vindt dan in het geheel niet plaats. In de rechtspraak komt de kwestie van misbruik van bevoegdheid door de verhuurder bij het opzeggen van de huurovereenkomst naar voren in het arrest van het Hof Amsterdam van 24 februari 2009.9 Het gaat om een situatie waarin de verhuurder de huurovereenkomst opzegt om de huurder te bewegen de door de verhuurder gewenste (te hoge) koopprijs te voldoen. Een belangenafweging vindt in deze zaak niet plaats. Deze uitspraak wordt verder besproken in paragraaf 3.3.2.
Omdat er sprake is van een marginaal criterium, zal strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid volgens Stein eerder worden aangenomen dan misbruik van bevoegdheid.10 Wellicht is dat de verklaring dat meer rechtspraak te vinden is waarin rechtshandelingen vanwege strijd met de redelijkheid en billijkheid worden aangetast dan waarin een beroep op misbruik van bevoegdheid wordt gehonoreerd. Desalniettemin is dergelijke rechtspraak ten aanzien van opzegging van huurovereenkomsten, zoals in paragraaf 3.3.4 zal worden besproken, wel voorhanden.